|
Nederlandse Vereniging van Belangstellenden in het Brandweerwezen |
Een
werkgroep bij de brandweer van Zaventem, met officieren en verplegers van de
brandweer maar ook de brigadecommandant van de Rijkswacht Zaventem, de
politiecommissaris van Zaventem en de commandanten van de PVE’en Reyers en
Oudergem, analyseerde het probleem en kwam uiteindelijk op de proppen met een
reeks aanbevelingen
Een
betere opleiding van het personeel om ze gevaarsbewust te maken en om ze correct
en veilig te leren werken op de autosnelwegen was er één van.
Deze opleiding werd gegeven aan alle brandweermannen door de commandant
van de PVE Oudergem en de tekst ervan is ondertussen verspreid naar heel wat
brandweerkorpsen en andere geïnteresseerden in België, hierbij inbegrepen de
twee verantwoordelijke ministeries (Volksgezondheid en Binnenlandse Zaken) en de
Koninklijke Belgische Brandweerfederatie, afgekort KBBF.
Een
tweede aanbeveling was het ontwikkelen van een “systeem” waarbij op geruime
afstand voor het ongeval de bestuurders reeds aandachtig worden gemaakt op de
komende verkeerssituatie. Eerst was
geopteerd voor een aanhangwagen met signalisatiepaneel, tot de manschappen zelf
te kennen gaven zeker niet met een aanhanger aan een klein voertuig achter de
ambulance aan te willen razen. Uiteindelijk werd er dus geopteerd voor een speciaal voertuig
met ruim voldoende signalisatie en twee degelijk geschoolde personeelsleden om
reeds 100 m op voorhand de aankomende bestuurders te waarschuwen.
Het basisvoertuig
is een Mercedes Sprinter, uitgerust met een NDI-dieselmotor met een vermogen van
167 pk. De overbrenging is
gerealiseerd met een automatische versnellingsbak van het type “Sprintslift”.
Geheel dezelfde configuratie is ook voorzien voor de op stapel staande
ambulance, dit om eenvormigheid en dus gebruiksgemak te optimaliseren.
Om
het starten vlot te laten verlopen is het motorblok permanent voorverwarmd op
een temperatuur van 60°C via een externe stroomvoorziening.
De bestuurderscabine is van het
verlengde type, zodat achteraan de nodige ruimte is voor klein materieel zoals
signalisatievesten, handlampen, een megafoon, draagbare radio’s en dergelijke.
Achteraan bevinden zich ook de reservebatterijen en laadsysteem met
veiligheden, een zeer complex geheel.
Tenslotte is er ook een kastje voorzien met allerhande reservezaken zoals
lampjes en zekeringen.
Vooraan in de cabine vinden we naast de basisuitrusting een
InCar-navigatiesysteem met GPS en een UDS-systeem (Unfalldatenspeicherung), een
soort zwarte doos zeg maar, waarop men na een ongeval de gegevens van de laatste
minuten (snelheid en dergelijke, geen gesprekken!) kan reconstrueren.
Eveneens vooraan zijn twee mobiele radioposten geplaatst, zodat enerzijds de
werkfrequentie van het hulpcentrum 100 en anderzijds de eigen werkfrequentie
tegelijkertijd kan worden beluisterd.
Tenslotte vindt u in een middenconsole tussen bestuurder en passagier alle
sturingen en bedieningen (paneel, verlichting, geluidssignaal, groepen, …)
zodat de beide inzittenden deze kunnen bedienen.
De
achteropbouw van het koetswerk is met
neergeklapt paneel niet te onderscheiden van een gewone bestelwagen.
Aan beide zijden vinden we een door een rolluik gesloten berging.
Hierin bevinden zich 10 reflecterende verkeerskegels van het grotere type
geschikt voor autosnelwegen en 10 blauwe uitneembare flitslichten met
automatische synchronisatie tot looplicht.
Dezelfde uitrusting bevindt zich zowel links als rechts, zodat steeds
langs de veilige kant ten opzichte van het verkeer kan worden gewerkt.
Achter deze berging werden twee stroomaggregaten geplaatst die instaan voor de
stroomvoorziening van alle verbruikers.
Deze beide groepen kunnen door een druk op de knop van in de cabine (ook
tijdens het rijden!) worden gestart.
Als echter de werkende groep zou uitvallen kan de tussentijd tot de
tweede groep gestart is, worden overbrugd met de reeds eerder vermelde
batterijen.
De autonomie dezer is 2 à 3 uur.
Een optisch (groen zwaailicht) en akoestisch signaal maakt er de
bemanning van het voertuig (die niet noodzakelijk voortdurend bij hun voertuig
staan) op attent dat de batterij in werking is gesteld.
Behalve
de normale verlichting die op elk
voertuig aanwezig is, is op de beveiligingseenheid heel wat extra verlichting
voorzien. In de eerste plaats is er
natuurlijk de opvallende plaat achteraan, met een links- of rechtswijzende pijl
of een kruis, afgekeken van de wegenwerken, geflankeerd door vertragende
neergaande blauwe flitslichten. Verder
is er onderaan een directionele verlichting die samenwerkt met de mistlamp om
bij mistig weer laag boven de grond nog een richtingaanwijzing te hebben.
Een directionele verlichting vinden we eveneens in de
lichtbalk bovenop de cabine, zodat een richtingaanwijzing kan worden gegeven als
de plaat niet rechtop staat.
In
diezelfde lichtbalk vinden we achteraan nog blauwe en rode flitslichten, blauwe
zwaailichten en een herhaling van achterlichten, remlichten en pinklichten,
vooraan zien we blauwe en rode flitslichten en een afzonderlijk uit te schakelen
set witte veeglichten (traffic clearing lights).
Om het voorliggend verkeer van onze komst te waarschuwen zijn er ook
blauwe kalenderflitslichten en pinkende koplampen voorzien.
Tenslotte zijn er ook achteraan op ooghoogte blauwe flitslampen geplaatst
om dicht achterrijdend verkeer te waarschuwen dat zij achter een prioritair
voertuig rijden (dat dus soms wel eens onverwachte dingen kan doen, zoals plots
stoppen of van rijvak veranderen).
Wanneer het paneel wordt opgericht, zal automatisch de achterzijde van de
lichtbalk en de blauwe achteruitgerichte flitslichten uitvallen, dit om
verblinding en interferentie met het paneel te voorkomen.
Wat betreft prioritaire geluidssignalen
is er gekozen voor een elektronisch signaal met whail en yelp (korte en langzame
frequentieveranderingen, vergelijkbaar met politiewagens), die voor andere
verkeersdeelnemers merkelijk beter te localiseren zijn dan de vroegere tweetoon,
met daar eventueel bovenop een Martinhörn, een zeer lawaaierige tweetoon.
Tenslotte beschikt het voertuig over een PAS, een Public Address System,
waarmee men dus via een luidspreker op het dak omstaanders kan toespreken. Het is evident dat al deze zaken, inclusief het oprichten van
het paneel, kunnen gebeuren vanuit de cabine, zonder dat de bemanning moet
uitstappen en zich in een onbeschermde situatie begeven.
De kleur van de beveiligingseenheid is het niet-fluorescerende
citroengeel dat door een KB uitgaande van het Ministerie van Volksgezondheid is
voorgeschreven voor alle nieuwe ambulances.
Er is bewust niet gekozen voor de fluorescerende verf, zoals sommige van
onze oudere vrachtwagens (maar dan oranje in plaats van geel) omwille van een
aantal praktische aspecten: milieuvriendelijkheid en verwerkingsmogelijkheden,
waar de fluorescerende verf zeer slecht scoort. Om diezelfde reden zijn wij ook voor de brandweervoertuigen
aan het overschakelen op een niet-fluorescerende verf.
Er werd gekozen voor geel omdat dit ook de kleur is
van de ambulances (waar dit voertuig meestal mee zal samenwerken) en ook omdat
dit de meest zichtbare kleur in het spectrum is.
Vele studies wijzen immers uit dat er merkelijk minder ongevallen
gebeuren met interventievoertuigen die geel geschilderd zijn dan met witte of
rode voertuigen, en dit zowel bij dag als bij nacht.
Om
in zeer donkere omstandigheden en in het ongelukkige geval dat het voertuig
zonder licht moest vallen toch nog zichtbaar te zijn is er gekozen voor een
reflecterende striping van 3M op
voor- en zijkanten van het voertuig.
Ook de visgraat achteraan is reflecterend.
De striping omvat enerzijds een gele contourmarkering op voor- en zijkant
en een parallellogrammenpatroon.
Dit patroon is overgenomen van de reeds in dienst zijnde voertuigen van
onze brandweer, dit om de gelijkvormigheid zo hoog mogelijk te houden.
Er werd wel voor rode parallellogrammen gekozen in plaats van gele omdat
die beter opvallen tegen de gele achtergrond van het voertuig, hetzelfde geldt
trouwens voor de gele parallellogrammen op de rode achtergrond van onze andere
voertuigen.
Het
nieuwe, nu voorgestelde voertuig is zeer opvallend, dat kan niemand
tegenspreken. Echter, behalve het
oprichten van het paneel zijn ook nog een aantal andere activiteiten nodig,
zoals het plaatsen van kegels en lampen en het geleiden en tot voorzichtigheid
aanmanen van het verkeer. Het
personeel moet daartoe de wagen verlaten en de autoweg op.
Zij moeten dan ook zelf goed zichtbaar zijn, en de hiervoor Europees
geldende norm is de EN 471. Er is
daarom gekozen om het personeel in de beveiligingseenheid uit te rusten met aan
de norm EN 471 voldoende kledij, met name in de klasse 3 voor zichtbaarheid en 2
voor reflectiegraad van de stof (het eerste getal geeft eigenlijk de oppervlakte
fluorescerende en reflecterende stof, het tweede getal de kwaliteit van het
reflecterend materiaal, en er is telkens voor de hoogste klasse gekozen).
Verder is er bewust gekozen voor geel omdat dit
enerzijds nog zichtbaarder is dan oranje, maar ook om de beveiligingseenheid
duidelijk te onderscheiden van de ambulancebemanning.
De blauwe boord onderaan komt dan weer overeen met de blauwe boord
onderaan de vesten van de ambulancebemanning om toch de samenhang te bewaren.
De vesten van de ambulancebemanning zijn overigens zoals het ministerie
van Volksgezondheid al enkele jaren zegt te zullen voorschrijven (maar het nog
steeds niet heeft gedaan).
Een
studie werd uitgevoerd om de beste prijs/kwaliteitverhouding van vesten uit te
zoeken, en de keuze voor de aankoop is gevallen op de firma Partner met vesten
van Sioen uit Ardooie.
Bron: Persmap Ring0 - beveiligingseenheid.
Met dank aan Kapt. ir. Kamiel Heyvaert en Lt. Ir. A. Stoffels, Sgt. Maj
Hernalsteen en Brm. Stef Vandersmissen - brandweerdienst Zaventem.
Redactie en coördinatie: Kpl. Jean-Paul Heyens - Brandweer Sint-Gillis-Waas
Terug naar Fotogalerij Zaventem