|
Nederlandse Vereniging van Belangstellenden in het Brandweerwezen |
Gemeentelijke-en bedrijfsbrandweerkorpsen in Delft gaan samen
Aanvullende info (4 februari 1999)
Het ontwerpen van de BHV organisaties.
Tijdens de verschillende bijeenkomsten van de projectmanagers en van de commandanten van de deelnemende bedrijven met de ondercommandant van de Gemeente Brandweer, zijn afspraken gemaakt t.b.v. de voortgang van het project. Zo is onder andere besloten dat er per onderneming een BHV organisatie zou worden ontworpen. Daartoe zijn een typering van de risicobronnen, algemene scenario's, maatgevende scenario's, de taakgebieden en de daarbij behorende opleidingen en trainingen van de BHV-ers vastgesteld. Van de gebouwen en objecten, die in verschillende categorieën kunnen worden onderverdeeld, zijn risicobeoordelingen gemaakt. Daarbij is rekening gehouden met eerder genoemde items. Deze gebouwen zijn:
- Kantoorgebouwen
- Laboratoria/werkplaatsen
- Productie gebouwen
- Bijzondere objecten
De risicobeoordeling is m.b.t. de kantoren, laboratoria en werkplaatsen voor de drie deelnemende bedrijven gelijk gesteld en daarbij is ook een gelijke methodiek toegepast. De risicogetallen, die bij deze methodiek gehanteerd worden, geven een groter risico aan naarmate het getal hoger is. De onderbouwing van de risicogetallen die toegekend zijn aan de diverse criteria is deels door de projectgroep geformuleerd en deels uit de regelgeving gehaald. De criteria, waarop beoordeeld is, zijn afkomstig uit de 4 onderdelen van een risicoinventarisatie die reeds eerder was uitgevoerd door de TU Delft in samenwerking met de Gemeente Brandweer Delft.
Het ontwerp voor de organisatiesterkte van de BHV in productie gebouwen en bijzondere objecten is gebaseerd op een pragmatische aanpak in overleg met de Gemeente Brandweer. Na het onderzoek van de risicobeoordelingen zijn aan de hand daarvan verschillende vormen van BHV-organisaties voorgesteld. Deze voorstellen zijn gebaseerd op de bestaande wettelijke kaders, de uitgangspunten van het rapport van Twijnstra Gudde d.d. 5 december 1997 en de door de leidinggevenden getekende intentieverklaring. De navolgende overwogen organisaties zijn;
- Een volledig decentrale BHV-organisatie.
- Een combinatie van een decentrale BHV- organisatie en het optreden van een centraal "Rapid Intervention Team" (RIT) met vrijwilligers
- Een combinatie van een decentrale BHV-organisatie een volledig centraal georganiseerd "Rapid Intervention Team" (RIT) met beroepspersoneel.
Binnen deze drie hoofdvormen waren er nog verschillende variaties mogelijk die eveneens zijn uitgewerkt.
Het waren dus voorstellen waarover door de commandanten van de deelnemende bedrijven en de ondercommandant van de Gemeente Brandweer uitvoerig is gerapporteerd.
Inmiddels hebben de bedrijfsleiders en managers van de verschillende partners een keuze uit de voorstellen gemaakt, deze zijn:
- Bij TU Delft: Handhaving van de huidige decentrale invulling van de BHV.
- Bij TNO: Geclusterde BHV-organisatie met een centrale vrijwillige BHV +.
- Bij G-b: Een decentrale BHV-organisatie voor de kantoren/ laboratoria (6 clusters) en een decentrale vrijwillige BHV + voor de fabrieken en bijzondere objecten.
(4 clusters)
De eindrapportage en de advies aanvragen voor de ondernemingsraden worden nu voorbereid.
Uiteraard zal nog het nodige overleg met alle betrokkenen volgen, (zoals met andere overheids-instanties en assuradeuren ) alvorens er een definitief besluit over de gekozen organisatievormen kan worden genomen.
In de afgelopen jaren hebben de
bedrijfshulpverleningsorganisaties (BHV) van respectievelijk
Technische Universiteit (TU), TNO, Gist-brocades (GB) en de
gemeentelijke brandweer van Delft, een proces van steeds
intensievere samenwerking ingezet. Centraal in de gedachten om te
komen tot een intensievere samenwerking is het bestaan van een
aantal knelpunten bij de BHV's en de gemeentelijke brandweer die
wellicht opgelost kunnen worden door meer en beter met elkaar
samen te werken. In dit onderzoek wordt de vraag beantwoord naar
de mogelijkheden om nauwer en intensiever met elkaar samen te
werken.
De collectieve ambitie van de betrokken
partijen is als volgt geformuleerd: het einddoel van de
samenwerking is een organisatie, bij voorkeur ondergebracht bij
de gemeente Delft, die de uitvoering van de brandweertaken
initieert en verzorgt. Onder de brandweertaken worden alle taken
uit de veiligheidsketen verstaan. De kwaliteit van de bestaande
brandweerzorg op de drie locaties mag niet verminderen, maar
dient op specifieke onderdelen juist te worden verbeterd.
De samenwerking moet leiden tot een verhoging van de professionaliteit en verbetering van de continuïteit. Het kostenniveau van de nieuwe organisatie mag het huidige gesommeerde kostenniveau niet overtreffen, maar dient perspectief te bieden op overall kostenbesparing.
Het Besluit bedrijfshulpverleningsorganisaties wordt beschouwd als randvoorwaarde. Het regelt de veiligheid en gezondheid van werknemers door middel van een minimumvoorziening, maar stelt geen eisen aan de kwaliteit en de noodzaak van bedrijfsbrandweerorganisaties. Werkgevers moeten voorzien in een minimumpakket dat bestaat uit maatregelen voor:
De risico's binnen de betrokken
organisaties zijn door het "groener worden" van
productieprocessen afgenomen terwijl door investeringen in
kwantiteit en kwaliteit van de brandveiligheidsinstallaties de
beheersing van beginnende branden is toegenomen. Per saldo zijn
de risico's daarmee afgenomen. Er moet voorkomen worden dat door
de wijze waarop de huidige BHV's met brandweertaken zijn
georganiseerd, de indruk ontstaat dat de risico's in feite
dubbelop worden bestreden.
Uit het onderzoek is gebleken dat voor alle drie de
organisaties de bemensing van de BHV-taken door vrijwilligers
steeds lastiger wordt (efficiency, complexiteit van
functies, bereidheid vrijwilligers, financiële consequenties).
De gemeentelijke brandweer is, eveneens vanwege een bemensings-
probleem, niet in staat de landelijk gehanteerde zorgnorm te
realiseren.
De beoogde intensievere samenwerking tussen de brandweer en GB, TNO en TU moet als voorwaarde hebben dat de BHV's "lean en smart" worden georganiseerd. Waar en hoe kunnen de BHV's tot een minimumpakket worden teruggebracht, zonder dat daarbij de kwaliteit van de beschermende maatregelen voor werknemers in gevaar komt.
Dit haalbaarheidsonderzoek behandelt de uitwerking van het model waarbij de BHV's in principe worden teruggebracht tot het minimumpakket. In een enkel geval zal een verzwaard pakket (ademlucht, gaspakken) voor bepaalde risicovolle locaties noodzakelijk blijven.
Om de afslanking van de BHV's te kunnen compenseren dienen een aantal taken extern uitgevoerd te worden. Vanwege haar positie is de gemeentelijke brandweer de meest geëigende organisatie om deze taken uit te voeren. Als eerste is hierbij vereist dat de brandweer aan de zorgnorm gaat voldoen. Hiertoe wordt geadviseerd om van de brandweer Delft een gemengd korps te maken, bestaande uit een combinatie van beroepskrachten en vrijwilligers. Het voldoen aan de landelijke zorgnorm is een zelfstandige verantwoordelijkheid van de gemeentelijke brandweer. De andere drie organisaties hebben geen bijdrage aan het bereiken van de zorgnorm. Door de huidige vrijwilligers van GB, TU en TNO op te nemen in de brandweerorganisatie beschikt de brandweer over direct inzetbare, goed opgeleide en geoefende brandweerlieden. Na het voldoen aan de landelijke zorgnorm dient de brandweer zich verder te professionaliseren zodat zij in staat is alle taken uit de veiligheidsketen uit te voeren.
Om één uitvoerende brandweerorganisatie te realiseren is een gefaseerd proces nodig dat zich kenmerkt door een gelijktijdige opbouw van de brandweer en een daarop gebaseerde afslanking van de BHV's. In deze fase wordt het als prematuur gezien om met interne cijfers naar buiten te treden om zodoende besparingen te kwantificeren. De kern van het samenwerken bestaat in eerste instantie niet uit het realiseren van besparingen, maar uit het oplossen van een aantal knelpunten bij de BHV-organisatie, zoals:
In de volgende fase volgt een specificatie van de mogelijke besparingen per organisatie als gevolg van samenwerking. Uitgangspunt bij de samenwerking is dat de brandweerzorg niet duurder mag worden.
Tijdspad
Het tijdspad voor de integratie is afhankelijk van een aantal factoren:
Daarbij moet rekening worden gehouden dat er feitelijk op vier fronten moet worden gewerkt, namelijk de opbouw van de nieuwe brandweerorganisatie, maar ook de herpositionering van de BHV voorziening bij GB, TNO en TU. Deze activiteiten moeten in onderlinge samenhang worden gerealiseerd. Voordat taken van de BHV's overgaan moet de brandweer voldoen aan de landelijk zorgnorm en zal zij het proces van professionalisering zijn ingegaan. Wij gaan uit van een doorlooptijd van 1,5 tot 2jaar om het opbouwproces bij de brandweer te realiseren. Tijdens dit opbouwproces kunnen per gerealiseerde stap overdracht van taken plaatsvinden. Het afslanken van de BHV's wordt ook beïnvloed door de investeringsplannen van de bedrijven en instellingen op het gebied van technische voorzieningen ten behoeve van de brandveiligheid. Naar verwachting zal het afslankingsproces van de BHV's daarom meer tijd in beslag nemen en moet rekening worden gehouden met een periode van 3 - 4 jaar.
Eén hoofdproject met vier
deelprojecten
Het projectteam "samenwerking brandweren" bestaat uit 8
leden, te weten 2 uit iedere deelnemende organisatie.Iedere
organisatie levert een manager en de (onder)commandant. In grote
lijnen komt het er op neer dat de managers houden zich in
principe bezig met de hoofdlijnen van het hoofdproject, de
(onder)commandanten houden zich bezig met de verschillende
deelprojecten.
Op dit moment zijn er een 4-tal deelprojectgroepen geformeerd, te
weten : Centrale Ademluchtwerkplaats, Opleiding en Oefening,
Gevaarlijke Stoffen Team en Piketdiensten. In later stadium is er
echter nog een deelproject toegevoegd, te weten Personeel.
Centrale Ademluchtwerkplaats
Het
doel van dit deelproject is om te onderzoeken of het mogelijk is
te komen tot de oprichting van één centrale ademluchtwerkplaats
t.b.v. het totale onderhoud van alle ademluchtapparatuur en al
hetgeen daarmee verband houdt.
Op dit moment onderhouden alle 4 de
organisaties hun apparatuur zelf of laten een deel daarvan door
derden onderhouden. De organisaties hebben niet alleen de
noodzakelijke apparatuur voor de juiste uitoefening van hun
taken, maar hebben daarvoor ook in meer of minderde mate de
benodigde apparatuur en ruimte om hun materiaal te kunnen
onderhouden c.q. paraat te houden.
Het noodzakelijke onderhoudswerk is nu over de vier organisaties
verdeeld terwijl zij ook allen hun eigen werkmethodiek hebben.
Het is de overtuiging van de initiatiefnemers dat er door middel
van samenwerking een grote efficiëntie en effectiviteit kan
worden bereikt.
Het gewenste resultaat is het bestaan van één centrale werkplaats, waar de onderhoudswerkzaamheden voor alle ademluchtapparatuur (en al hetgeen daarmee verband houdt) voor alle vier de organisaties wordt uitgevoerd. Deze werkplaats dient de mogelijkheid te bieden om ook het onderhoudswerk van andere hulpverleningsorgansaties uit te voeren.
Opleiding en Oefening
Dit deelproject start met het uitvoeren van een inventarisatie naar de opleidings- en oefenings- behoefte bij de vier organisaties. Ook de specifieke voorwaarden die hieraan gesteld worden maken deel uit van de inventarisatie. Vervolgens moet de instructiecapaciteit bij de vier organisaties geïnventariseerd worden. Daarna moet onderzocht worden of samenwerkingsverbanden op dit taakgebied mogelijk zijn. Deze samenwerkingsverbanden moeten vervol- gens voor de vier deelnemende organisaties op continuïteit, effectiviteit en financiële haalbaarheid getoetst worden.
Bij alle vier de organisaties is instructiecapaciteit aanwezig. De vraag is of deze voldoende effectief benut wordt (tijd en niveau). Daarnaast bestaan er bij de organisaties reeds knelpunten op dit gebied (continuïteit) of worden deze verwacht.
Om de knelpunten zo efficiënt mogelijk op te lossen en de instructiecapaciteit zo efficiënt mogelijk te benutten, is het onderzoek naar samenwerkingsmogelijkheden op dit taakgebied noodzakelijk. Ook de noodzakelijke produktontwik- keling en de mogelijkheid van kwaliteitsverbetering kan door samenwerking toenemen.
Gewenst resultaat Het gewenste resultaat is een goed functionerend samenwerkingsverband op het gebied van opleidingen en oefeningen voor brandweer, EHBO en BHV. Hierbij wordt enerzijds in de opleidings- en oefenbehoefte voor de vier organisaties voorzien en anderzijds wordt de beschikbare instructiecapaciteit efficiënt en effectief ingezet. Daarnaast kan het samenwerkingsverband mogelijk ook aan de opleidings- en oefenbehoefte van andere dan de genoemde hulpverleningsorganisaties voorzien.
Gevaarlijke Stoffen Team
Dit deelproject start met het inventariseren van methoden, werkwijzen en middelen die tot op heden worden toegepast. Daarnaast wordt een onderzoek ingesteld naar de mogelijkheden tot het gezamenlijk "aanpakken" van geplande acties en incidenten waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Doel is het behalen van winstpunten op het terrein van snelheid, kwaliteit en paraatheid.
Alle genoemde organisaties vervullen taken op het gebied van het beheersen en het bestrijden van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er zijn drie teams operationeel. Voor de drie bedrijven bestaat het personeel, dat deel uit maken van deze teams, voor het grootste gedeelte uit vrijwilligers. Bij alle drie de bedrijven wordt dit vrijwillig gedeelte ondersteund met beroepsmatig personeel dat tijdens een repressieve actie de vrijwilligers ondersteunt en hoofdzakelijk de totale preparatie verzorgt.
Het vrijwillig personeel wordt geworven uit de diverse instituten, faculteiten en fabrieken. Steeds vaker wordt vanuit deze onderdelen kenbaar gemaakt dat het leveren van personeel voor de BHD-organisaties problematischer wordt (back to core). Tevens worden de hulpverleningsorganisaties steeds vaker en intensiever betrokken bij ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dit vergt van de betrokken personen steeds meer kennis en vaardigheden. De tijdsbesteding aan BHD- zaken staat dus onder druk terwijl de niveaueisen aan de vrijwilligers steeds hoger worden wat meer opleidings- en trainingstijd vergt.
Gezien het bovenstaande is het de vraag in hoeverre dit soort incidenten in de toekomst nog op verantwoorde wijze door vrijwilligers kunnen worden opgelost. Een specialistisch team zou wenselijk kunnen zijn.
Beheersen en bestrijden van ongevallen met gevaarlijke stoffen door een specialistisch team is voor alle betrokken partijen mogelijk een oplossing voor de aanwezige knelpunten. Eén centraal (rapid intervention) team samengesteld uit personeel van alle deelnemende partijen, werkend met gemeenschappelijke middelen is de gewenste denkrichting en situatie.
Piketdiensten
Het doel van dit deelproject is het gezamenlijk invullen van piket(wachtdienst) functies zoals o.a.: Logistiek/ materiële nazorg, advies infrastructuur (brandbeveiligingsinstallaties), Officier van Dienst
Alle deelnemers in dit deelproject bemensen thans één of meer van bovenstaande piketfuncties. Dit leidt in sommige gevallen tot onaanvaardbaar hoge piketbelastingen (arbeidstijdenwet), onvoldoende gegarandeerde beschikbaarheid en/of kwalitatief onvoldoende invulling.
Het gewenste resultaat is het bemensen van de noodzakelijke piketdiensten bij de diverse deelnemers met kwalitatief en kwantitatief voldoende personeel.
Personeel
Het hoofdproject "Samenwerking brandweren" is in eerste instantie samengesteld uit vier deelprojecten. Al snel bleek echter dat deze vier projecten voor een groot deel afhankelijk zijn van het aantal beschikbare medewerkers binnen de vier organisaties.
Het grootste knelpunt voor alle vier de organisaties is de juiste mensenbezetting t.b.v. de bestrijding van calamiteiten. Drie van de vier organisaties werken met de inzet van vrijwilligers, waarbij blijkt dat het steeds moeilijker wordt deze bezetting op de juiste en dus verantwoorde wijze in te vullen. Daarom is er een vijfde deelproject "Personeel" gestart, waarbij wordt onderzocht hoe de vier organisaties ook op dit gebied beter met elkaar kunnen samenwerken. Het doel is knelpunten te inventariseren en op te lossen zonder kwaliteitsverlies van de hulpverlening en het vinden van de juiste verhouding tussen vrijwillig personeel en beroepspersoneel dat paraat moeten zijn voor de uitruk. Vanzelfsprekend moet het beroepspersoneel voldoende dagelijks werk om handen hebben. Daarom behoren de garantie voor de kwaliteit van de randvoorwaarde scheppende werkzaamheden zoals onderhoud, opleiding/ training, pro-actie, prepara- tie en preventie eveneens tot de te onderzoeken aspecten. Onderzocht wordt of deze beroepsmedewerkers ook repressieve taken kunnen gaan verrichten om daarmee de druk op de vrijwilligersbezetting bij de samenwerkende organisaties kunnen verlichten. Bij de vier (deel) projecten draait het om de vraag: hoe kan je op een "slimme" manier samen de dienstverlening invullen. Hierbij moet worden gedacht aan het flexibel inzetten van personeel bij de deelne- mende organisaties Dit deelproject is daarom in grote mate afhankelijk van de uitkomsten van de andere projecten. Omdat bij de vier eerder gestarte projecten de inventarisatiefasen (wat hebben we) en de definitiefasen (wat willen we) nog niet geheel zijn afgerond, kunnen we nog niet gedetailleerd ingaan op de uitkomsten van dit project. De inzet van personeel kan slimmer