|
Nederlandse Vereniging van Belangstellenden in het Brandweerwezen |
Brand op de treinbaan
Met enige fantasie zou je op deze wijze kunnen omschrijven, hoe bij menigeen
het modelbouwen begon, met name het bouwen van maquettes.
Kennismaking
Ik moet een jaar of negen geweest zijn, toen ik samen met
mijn vader en een collega van hem een treintjesbeurs bezocht in een hotel te
Eindhoven. Die collega van mijn vader was een echte treinhobbyïst en ook ikzelf
had reeds enige schreden op dat pad gezet. Het grote verschil was, dat de
betreffende man over een groter budget beschikte dan ondergetekende, want binnen
een tijdsbestek van nauwelijks drie maanden had hij een zolder vol rijdende
treinen en natuurlijk de daarbij behorende huisjes, boompjes, beestjes,
autootjes en mannetjes.
Ik herinner mij nog als de dag van vandaag, dat ergens op
een tafeltje in dat hotel een klein plastic huisje op een piepschuim ondergrond
te zien (en te koop) was; een huisje, dat eruit zag alsof het in brand stond,
met plastic vlammen die uit het dak sloegen en een rood lampje, dat driftig en
onregelmatig knipperde. Ik was verkocht; dat was iets, dat ook mijn treinbaantje
moest opsieren.
Het cadeau kwam er, met sinterklaas, enkele weken na de
show. Natuurlijk toog ik vol enthousiasme aan het werk.
Wat mij meteen lukte was het bouwen van het huisje; dat zag
er zo gehavend uit, dat kon niet mislukken. Op surpriseavond om tien uur zat het
gevalletje al in elkaar. Wat minder goed lukte, was het bevestigen van het
huisje op de ondergrond. Hoe meer lijm ik erop spoot, hoe dieper de geulen in de
ondergrond werden, maar lijmen? Ho maar!
Het lampje is daarna in een doos beland en dat heb ik
daarna nooit meer teruggezien. De vlammen wel. Aanvankelijk werden de grillige
plastic vormen op het dak van het hutje geplakt, maar na enkele stofacties van
mijn moeder was de vlam al vlug van het dak verdwenen (u ziet, het
brandbestrijden heb ik van geen vreemde), maar op onverklaarbare wijze is dit
plastic vlammetje toch nog bewaard gebleven.
Stofnesten
De trein verdween, de brandweerhobby kwam er voor in de
plaats. En met die hobby bleef (gelukkig) de liefde voor het modelbouwen.
Bij een aantal pogingen maquettes te bouwen verhuisde het
vlammetje van een vrachtauto (zo’n prachtige Wiking ‘Rundhauber’ die met
een soldeerbout en veel matzwarte verf bewerkt werd) naar een gebouw, dat ook
nog was overgebleven uit de treinentijd.
Een aantal Merten-figuurtjes erbij, want die hadden
tenminste brandweerlieden in het assortiment. En als je nou zo slim was de
Amerikaantjes te kopen, dan zat daarbij een hoeveelheid ladders, brandslangen,
straalpijpen, opzetstukken en bijlen die je ook nog voor het verfraaien van
miniatuurbrandweerauto’s kon gebruiken.
En over die brandweerauto’s gesproken.
Aanvankelijk nam je uiteraard genoegen met een gesloten
auto, maar op een bepaald moment begon het toch van binnen te kriebelen; een
autospuit werd open gezaagd en er werd wat ingebouwd, dat met veel fantasie en
slechte ogen wel op het bedieningspaneel van een pomp zou kunnen lijken.
En zo klungelde je wat af. Maar één ding moet gezegd: ook al was het resultaat niet
altijd even optimaal, je had er wel veel plezier in. Het bouwen (het proces) was
bijna altijd leuker dan het product. Bovendien nemen deze diorama’s erg veel
plaats in beslag; plaats, die de rechtgeaarde verzamelaar nu eenmaal niet heeft.
Dat wil zeggen, hij heeft wel plaats genoeg, maar hij heeft veel te veel spullen
die al die plaats in beslag nemen.
De vrouw des huizes, aanvankelijk was dat mijn moeder, in
een later stadium mijn echtgenote, hebben allebei hetzelfde woord voor de
maquettes: “STOFNESTEN”! Want
inderdaad, ze vangen nogal wat stof op en het schoonmaken (met een kwastje)
neemt zoveel tijd in beslag, dat dit echt niet elke week gebeurt.
N(i)et echt
Vaak kom je diorama’s niet meer tegen. In de beginjaren
van de vereniging wel. Mogelijk is de oorzaak erin gelegen dat het nogal lastig
is die grote bebouwde platen mee te nemen naar beurzen en ontmoetingen.
Persoonlijk vind ik dat erg jammer, want gezien de plaatjes in (vooral) Duitse
tijdschriften, moeten er toch juweeltjes gebouwd zijn.
Een leuke anekdote is de volgende:
Nijmegen was al vele jaren bezig een nieuwe
brandweerkazerne te gaan betrekken, maar op de een of andere wijze kwam dat er
maar niet van. Tijdens een open dag (met tentoonstelling) in de oude kazerne,
stonden daar enkele zeer fraaie diorama’s.
Het ene betrof een maquette van een treinongeval, dat
opvallende gelijkenis vertoonde met een behoorlijke ontsporing, die zich in
Nijmegen kort tevoren had voorgedaan. Het tweede diorama was er een van een
brandweerkazerne met directe omgeving. De kazerne op het tweede diorama was
voorzien van parkeerplaatsen op het dak, vele voertuigstallingen, demonstraties
op het oefenterrein en alles wat je je als brandweercommandant maar kunt wensen
als je een kazerne voor je stad moet laten bouwen. De beide modelbouwers,
waarvan de een al lang geen actief lid meer is, maar de andere nog steeds een
niet onbekend brandweertijdschrift uitgeeft, kregen van de brandweercommandant
het verzoek bij dat door hen gemaakte en tentoongestelde tweede diorama een
plaat te maken, dat dit echt niet het ontwerp voor de nieuwe (en inmiddels
aanbestede) brandweerkazerne voor
Nijmegen was.
Laten we wel wezen: als de afmetingen het probleem vormen,
dan bouw je ze toch wat kleiner. Ik heb al complete diorama’s gezien, gebouwd
in een doosje, waarin eens een modelauto verkocht werd. Het gehele diorama
bestond uit een vuilniscontainer, die zogenaamd in brand stond, en een Preiser
autospuit en dito brandweerlieden, die probeerden door middel van een straal
lagedruk de vlam in de container te doven.
Ook andere mini-diorama’s zijn vaak te zien in
modelbouwtijdschriften. Over het algemeen kun je een paar regels aanhouden, die
zelfs het resultaat van de meest onbeholpen modelbouwer nog acceptabel maken.
Stelregels
1. De eerste regel: zorg dat je uitgaat van een verhaal.
Datgene wat gebeurt in je diorama moet als het ware een driedimensionale
krantenfoto van een gebeurtenis zijn.
2. Op de tweede plaats: zorg dat de tijd en de plaats van
de handeling op elkaar zijn afgestemd; de bovenvermelde Amerikaanse
brandweerlieden bij een Magirus Rundhauber die een auto blussen die pas in de
jaren negentig is ontwikkeld, tja, daar
klopt iets niet. Tenzij je natuurlijk het verhaal uit regel 1 zodanig plausibel
maakt, dat iedereen het meteen voor zoete koek slikt.
3. Maak het
oppervlak van je maquette niet groter, dan strikt noodzakelijk is voor je
verhaal. De neiging is alom aanwezig de zaak “aan te dikken” door steeds
meer figuurtjes en autootjes op de plaat te zetten om er toch in ieder geval
voor te zorgen, dat de maquette niet te leeg lijkt.
4. Als je wat meer in de diepte moet gaan werken, probeer
dan eens met verschillende niveaus te werken. Dat houdt de zaak toch mooi
overzichtelijk. Bij bloemschikken doe je niet anders.
5. Zorg dat de maquette een achtergrond heeft. Dat maakt
optisch zo verschrikkelijk veel uit. Leuke achtergronden zijn kant en klaar te
koop (o.a. NZG). Een kwestie van uitsnijden en op de achtergrond plaatsen. Ook
kun je (vooral bij ondiepe diorama’s) gebruik maken van gebouwen in half-reliëf.
Van voren lijken het hele gebouwen, maar je hebt alleen gebruik gemaakt van de
voorgevel en gedeelten van zijgevels en dakpartijen. Dat spaart veel plaats uit
en geeft toch een heel ruimtelijk effect.
6. Bewerk plastic modelhuisjes met wat matte verf, zodat de
plastickleur verdwijnt. Een oude gevel mag overigens ook best vuil zijn en
straten zijn ook niet altijd steriel.
7. Als men figuurtjes gebruikt, probeer die dan op de
ondergrond te lijmen zonder standaardjes. Zorg ook dat ze in juiste houdingen
staan. Een hondje met opgetild pootje en een vrouwtje met een emmertje daar vlak
bij, een mannetje dat in de motorkap van zijn auto gebogen staat, grafiti op de
muur van een huis, het zijn kleine grapjes die zo’n maquette interessant
maken.
8. Zorg voor lantaarnpalen, verkeersborden en dergelijk
materiaal voor de aankleding van straten en pleinen en voor (goede) boompjes en
struikjes. Dat maakt het allemaal veel echter.
9. Een brandweerauto in actie is maar zelden helemaal
gesloten. Gelukkig spelen firma’s als Roco en Preiser daar uitstekend op in;
zij leveren voertuigen met interieurtjes.
10. Niet het vele is goed, maar het goede is veel.
En daarmee is alles gezegd.
Ik hoop nu dat het bovenstaande een aantal mensen motiveert
een maquette te bouwen. Ik wil toch zo graag binnen afzienbare tijd weer eens
enkele mooie, interessante, spannende of humoristische diorama’s aanschouwen
tijdens verenigingsbijeenkomsten.
(Bron Peter Snellen)