logo VBB Nederlandse Vereniging van Belangstellenden in het Brandweerwezen

Homepage


2-53

Belgische Senaat

2-53

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 8 JUNI 2000 - OCHTENDVERGADERING

 

Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.

 

De hervorming van de diensten van de Civiele Veiligheid (Stuk 2-433)

Bespreking

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Binnenlandse Zaken over «het voorstellen van de kandidaten op de beeldschermen in de gemeenten waar op 8 oktober 2000 elektronisch gestemd wordt» (nr. 2-146)

Berichten van verhindering

 

Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 10.40 uur.)

De hervorming van de diensten van de Civiele Veiligheid (Stuk 2-433)

Bespreking

De heer Georges Dallemagne (PSC), rapporteur. - Meer dan zes maanden lang heeft de Senaatscommissie voor de binnenlandse zaken de werking van de civiele veiligheid en van de hulpdiensten in ons land onder de loep genomen.

Startpunt was het wetsvoorstel van mevrouw Lizin tot hervorming van de hulpdiensten. De commissieleden beseften algauw dat dit een enorme opdracht was en dat het van groot belang was al wie bij de civiele veiligheid betrokken is te horen.

De commissieleden vertrokken van de vaststelling dat de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming in belangrijke mate moest worden gemoderniseerd, gelet op de evolutie van de organisatie van de hulpdiensten en het feit dat ze niet langer in staat waren om op betrouwbare wijze civiele risico's als ongelukken, natuurrampen branden en overstromingen op te vangen.

Opdat de geplande hervorming zo goed mogelijk zou aansluiten bij de realiteit, heeft de commissie een ruim overleg georganiseerd met de betrokken personen en diensten.

De commissie heeft volgende personen gehoord: mevrouw Breyne-De Vos, directeur-generaal van de civiele bescherming, de heer Cahay, brandweercommandant van Hoei en voorzitter van de Provinciale Unie van Luik van de Koninklijke Federatie van brandweerdiensten, de heer De Herdt, voorzitter van de Belgische Beroepsvereniging van brandweerofficieren, de heer Vande Velde, voorzitter van de Nederlandstalige vleugel van de Koninklijke Belgische Brandweerfederatie, de heer Haumont, voorzitter van de Franstalige en Duitstalige vleugel van de Koninklijke Belgische Brandweerfederatie en mevrouw Paulus de Châtelet, gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.

Ze heeft ook de brandweerkazerne van Beveren, de permanente eenheid van de civiele bescherming van Liedekerke, de brandweerkazerne van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de brandweerkazerne van Hoei bezocht.

Een delegatie van de commissie heeft tijdens een studiereis naar Frankrijk en Zwitserland in Lyon de prefect van het departement van de Rhône, vergezeld van zijn staf van de Burgerlijk Veiligheid ontmoet en in Genève een aantal personen die actief zijn in organisaties van de Verenigde Naties, het Rode Kruis en de Wereldgezondheidsorganisatie.

De commissie heeft ook geluisterd naar de overwegingen van de minister van Binnenlandse zaken.

Die verschillende hoorzittingen en bezoeken hebben tot een aantal vaststellingen geleid. Eén van de structurele problemen is dat de risico's niet in kaart zijn gebracht. Dit is nochtans een conditio sine qua non voor een goede organisatie van de hulpdiensten. De ramp in Enschede heeft bewezen dat er dringend behoefte is aan een dergelijke kaart, waarop zowel de burgerlijke als de militaire risicofactoren vermeld staan.

De minister en de gouverneurs moeten noodplannen opstellen en uitvoeren. De normen die daarbij worden gehanteerd qua optreden en uitrusting, zijn niet overal dezelfde.

De civiele bescherming heeft de kwalijke gevolgen moeten ondergaan van het lineaire aftoppen van de begrotingen gedurende de jaren van budgettaire inkrimping. Dit heeft gevolgen gehad voor haar eigen investeringen en ook voor de subsidies die bedoeld zijn om de brandweerdiensten en de diensten voor dringende geneeskundige hulpverlening uit te rusten.

Er is nagenoeg geen samenwerking tussen de minister van Binnenlandse Zaken onder wie de civiele bescherming en de brandweerdiensten ressorteren, en de minister van Volksgezondheid die de normen voor dringende geneeskundige hulpverlening bepaalt.

De versnippering van de brandweerdiensten is onproductief. Wanneer een dienst voor verschillende gemeenten moet instaan, verdeelt de gouverneur de kosten over de centrumgemeente en de andere gemeenten, zonder veel uitleg te geven over de criteria.Zoals uit de cijfers blijkt, dragen de inwoners uit de centrumgemeente veel meer bij dan de inwoners uit de andere gemeenten, wat onbillijk is.

De goede samenwerking in en tussen de zones hangt nog te veel af van de goede wil van de mensen die aan het hoofd van de betrokken diensten staan. In het kader van de huidige reglementering, wordt de verdeling in zones beschouwd als een manier om te beknibbelen op federale subsidies veeleer dan als een nuttig organisatiemiddel. Ongezonde concurrentie tussen de zones om " de grootste " te worden, moet absoluut worden voorkomen.

Met betrekking tot de dringende geneeskundige hulpverlening ligt het accent niet langer op het vervoer van de zieken, maar op het vervoer van de artsen naar de plaats van het ongeval. Dat kan levens redden, maar er moet wel worden nagedacht over de onderlinge samenwerking van de veiligheidssector en de urgentiediensten van de ziekenhuizen.

Er heerst een zekere wanorde wat de uitrusting betreft. Sommige gemeenten brengen het niet op om alle administratieve formaliteiten te vervullen die nodig zijn om materieel te kopen via het ministerie van Binnenlandse Zaken. Ze kopen liever op eigen kosten dan te profiteren van de gegroepeerde aankopen door Binnenlandse Zaken. Soms wordt op ondoordachte manier gespecialiseerd materieel aangekocht, dat dan wordt opgeslagen en verder tot niets dient wegens gebrek aan onderhoud of aan personeel dat bekwaam is om het te gebruiken.

Met betrekking tot het statuut van het personeel zorgt de gemeentelijke autonomie ervoor dat de centrumgemeenten heer en meester zijn over het statuut van hun brandweerlui. Dit leidt tot tal van uiteenlopende statuten die aanleiding geven tot spanningen en ongerustheid zowel bij de gemeenten als bij hulpdiensten. Aangezien de civiele bescherming op federaal niveau georganiseerd is en de brandweerdiensten niet, komen deze laatste, als beroepsgroep, niet altijd aan hun trekken.

Overigens zijn voor het goede verloop van de operaties en ook om praktische en budgettaire redenen vrijwilligers nodig. Niet overal is nood aan een beroepskorps. In zones waar niet de hele dag incidenten plaatsvinden, kan een vrijwilligerskorps nuttig zijn. Deze vrijwilligers moeten evenwel een degelijk statuut hebben, goed omkaderd zijn en een gepaste opleiding genoten hebben.

Wat de vorming van het personeel betreft, moet bij de aanwerving en tijdens de loopbaan een uniforme opleiding verzekerd zijn. In tegenstelling tot onze buurlanden, beschikken wij niet over een specifieke hogere opleiding voor officieren.

De crisiscentra zijn niet dag en nacht actief. Er moet een wachtdienst worden opgericht teneinde de toegankelijkheid en de communicatie te verbeteren.

De 100-centrales worden verdeeld volgens de telefoonzones: sommige brandweerkorpsen af van verschillende 100-centrales, wat de dienstverlening natuurlijk niet ten goede komt. Er moet ook voor gezorgd worden dat de verschillende communicatiesystemen onderling met elkaar in verbinding staan.

Het meest opvallende besluit van de vaststellingen en bezoeken ter plaatse is de heterogeniteit van het materieel, van de praktijken, de statuten, de manier van interveniëren en de veiligheidsniveaus. Treffend is ook het ontbreken op federaal niveau van een volledige en geïntegreerde inventaris van alle risico's die verband houden met de civiele veiligheid en bijgevolg het ontbreken van een definitie van het gewenste civiele veiligheidsniveau voor de hele bevolking.

De werkzaamheden van de commissie hebben de gebrekkige samenwerking en het ontbreken van structurele banden tussen de verschillende hulpdiensten en tussen de verschillende interventieniveaus van de civiele veiligheid aan het licht gebracht.

De commissie heeft op 23 mei de minister van Binnenlandse zaken gehoord. Hij verklaarde dat hij gelijkaardige vaststellingen heeft gedaan en kondigde aan dat hij een modernisering van de hulpdiensten overweegt waarbij de nadruk wordt gelegd op meer responsabilisering, meer professionalisme en kwaliteitszorg. Deze benadering vergt eerst een studiefase, tijdens welke de risico's worden geinventariseerd en geanalyseerd en gezocht wordt naar de gepaste middelen om daaraan het hoofd te bieden.De modernisering zal in verschillende opeenvolgende fasen verlopen. Ik verwijs in dit verband naar de pagina's 29 tot 36 van het verslag.

De minister heeft ook zijn instemming betuigd met de aanbevelingen van de Senaatscommissie voor de Binnenlandse zaken met betrekking tot de organisatie van de diensten van de Civiele Veiligheid.

In het kader van de gedachtewisseling over de hervorming van de hulpdiensten, die zowel in de Senaat als door de uitvoerende macht zal worden voortgezet, legt de commissie volgende aanbevelingen aan de plenaire vergadering ter stemming voor.

Met betrekking tot de structuur beveelt de commissie voor de Binnenlandse zaken aan een Federale Raad voor de civiele veiligheid op te richten. Deze raad speelt een adviserende rol en krijgt de bevoegdheid om initiatieven te nemen.

De commissie beveelt ook aan provinciale en zonale raden voor de civiele veiligheid op te richten. Daarbij wordt het bestaande zonesysteem overgenomen.

De Koning bepaalt de samenstelling van de raden; daarbij worden alle desbetreffende burgemeesters betrokken.

Met betrekking tot de vaststelling van de risico's beveelt de commissie aan criteria vast te leggen om de risico's te bepalen en een cartografisch systeem uit te werken waarop de risico's en de verkeersaders vermeld staan.

Deze kaarten worden aan de diensten voor de civiele veiligheid bezorgd. Hieraan dient een clausule van vertrouwelijkheid verbonden te zijn.

Er dient een betere opleiding te komen voor het personeel, zowel bij de aanwerving als gedurende de loopbaan.

Om dit doel te bereiken beveelt de commissie aan een federale academie voor officieren op te richten en de middelen van de provinciale scholen te verhogen.

Met betrekking tot de professionalisering vraagt de commissie om een verdere professionalisering door te voeren. De plaats waar de beroepskrachten worden ingezet dient af te hangen van verschillende criteria: de locatie en de aard van de risico's, demografische en economische elementen (stad, industrieterrein,...).

Betreffende het statuut beveelt de commissie voor de Binnenlandse Zaken aan de hiërarchie te herzien. De nieuwe civiele-veiligheidsdiensten, ontstaan uit de fusie van de brandweerdiensten en de diensten van de civiele bescherming, moeten in drie homogene categorieën van graden verdeeld worden (officier, onderofficier, basisgraad), met daarnaast het administratief personeel.

Elke civiele-veiligheidszone moet de personeelsformatie «civiele veiligheid» volgen. De formaties «officier», «onderofficier» en «basis» moeten opgevuld worden.

Wat de verticale en horizontale mobiliteit betreft, moet ieder personeelslid van de civiele-veiligheidsdiensten, binnen de grenzen van zijn specialiteit, kunnen rekenen op overplaatsingen en bevorderingen tussen de zones onderling en tussen de zones en de gespecialiseerde federale diensten voor de civiele veiligheid.

Betreffende de vrijwilligers raadt de commissie voor de Binnenlandse zaken de regering aan maatregelen te nemen om het statuut van de vrijwillige leden van de civiele-veiligheidsdiensten geleidelijk te harmoniseren. Over vijf jaar dient het statuut volledig eenvormig te zijn.

Over de gelijkheid man/vrouw beveelt de commissie aan om maatregelen uit te werken waardoor de vrouwen beter geïnformeerd worden over hun carrièremogelijkheden binnen de civiele-veiligheidsdiensten. De pensioenleeftijd van de personeelsleden van de civiele-veiligheidsdiensten moet onderzocht worden met inachtneming van de specifieke aard van hun werk, zoals dat ook is gebeurd in het kader van de politiehervorming. Bij de hervorming moeten de lasten aan de hand van objectieve criteria op een billijker wijze verdeeld worden.

Deze aanbevelingen werden door de commissie aangenomen met 7 stemmen bij 1 onthouding.

Na verslag te hebben uitgebracht over de werkzaamheden van de commissie, wil ik nog enkele persoonlijke bedenkingen maken. Bij een vliegtuig- trein- of verkeersongeluk of bij een natuurramp kan de bevolking geholpen worden door de brandweer, de civiele bescherming en soms ook door het leger.

Uit de werkzaamheden van de commissie is gebleken dat er tussen die verschillende korpsen niet noodzakelijk een gestructureerde samenwerking bestaat, noch op het vlak van de interventiemethodes, noch wat het ter beschikking stellen van materieel betreft. De samenwerking is vaak afhankelijk van de goede wil, wat soms volstaat, maar niet de aangewezen weg is om de goede werking van de diensten van de civiele veiligheid te verzekeren..

Op het ogenblik kan geen enkele dienst een inventaris opmaken van de civiele risico's waaraan de bevolking blootstaat. Ze kunnen dus ook niet bepalen welke middelen er nodig zijn om aan die risico's het hoofd te bieden. Er moet dus dringend een coördinerende structuur komen op federaal niveau.

Ik pleit ook voor de harmonisering en de herwaardering van het statuut van de mensen van de verschillende hulpdiensten. Alle personeelsleden, die dezelfde taken vervullen in het kader de civiele veiligheid, moeten hetzelfde statuut hebben, ongeacht hun oorspronkelijke functie.

Het aantal vrijwilligers is in ons land vrij hoog, maar de gemiddelde leeftijd van die vrijwilligers stijgt. Wellicht is de aantrekkingskracht van de functie van brandweerman of medewerker van de civiele bescherming enigszins afgezwakt. Niettemin is het ondenkbaar dat de civiele veiligheid helemaal door beroepskorpsen zou worden verzekerd. Daarom moet dringend werk gemaakt worden van een vrijwilligersstatuut. De vrijwilliger moet worden opgeleid, hij moet een vergoeding krijgen, degelijk verzekerd zijn en goed uitgerust worden. Hij moet ook bij zijn hoofdwerkgever soepele voorwaarden kunnen bedingen voor de uitvoering van zijn arbeidovereenkomst. Al deze aspecten moeten in het vrijwilligersstatuut worden opgenomen en alle vrijwillige medewerkers van de civiele-veiligheidsdiensten moeten onder dit statuut vallen. Alleen onder die voorwaarden zal men over de vereiste personeelsformatie kunnen beschikken om de civiele veiligheid van de bevolking te verzekeren. Ook het statuut van de professionele medewerker moet worden herzien, want momenteel zijn er evenveel statuten als er hulpdiensten zijn.

Wat de opleiding betreft, hinkt ons land achterop, aangezien het één van de weinige Europese landen is waar op federaal niveau geen school is voor officieren en onder-officieren. De cijfers spreken voor zich: voor elke frank die de overheid spendeert aan de opleiding van brandweerlieden wordt 40 frank uitgegeven voor de opleiding van een politieagent en 120 frank voor die van een rijkswachter.

Ten slotte wil ik erop aandringen deze hervorming snel te verwezenlijken. We moeten niet wachten tot een ongeluk van de omvang van de ramp in Enschede zich voordoet om ons rekenschap te geven van de disfuncties van onze hulpdiensten. Deze hervorming zal niet noodzakelijk veel bijkomende middelen vergen. We hebben vastgesteld dat andere landen het beter doen met hetzelfde gemiddelde budget per inwoner. Misschien kunnen een aantal schaalvoordelen gerealiseerd worden. Alleen op de opleiding zal niet kunnen bespaard worden.

De grootste moeilijkheid wordt wellicht dat men het gevoel zal moeten onderdrukken tot het ene of andere korps te behoren. De hervorming beoogt een nieuwe sfeer, die van de civiele veiligheid, die verzekerd wordt door een coherent geheel van doeltreffende hulpdiensten.

Tot besluit wil ik nog één vaststelling kwijt. De veiligheid van de bevolking wordt in ons land rond drie polen georganiseerd: de landsverdediging, de politiezorg en de civiele veiligheid. De eerste twee worden momenteel grondig hervormd zodat ze beter aangepast zullen zijn aan de noden en efficiënter zullen kunnen werken. De civiele veiligheid is de derde pool die nu aan hervorming toe is.

Ik zal binnenkort samen met mevrouw Lizin een wetsvoorstel indienen met betrekking tot deze hervorming van de hulpdiensten. Het ligt in de lijn van de plannen van de minister. Wij hopen dan ook dat de meerderheid ons voorstel zal steunen.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CVP). - De recente wateroverlast, de kettingbotsingen en andere rampen waarmee wij de jongste jaren geconfronteerd worden, nopen tot een nauwere en beter georganiseerde samenwerking tussen de diensten.

De toenemende industrialisering, het steeds drukker wordende verkeer en de verdere urbanisatie van ons land zorgen voor blinde vlekken op de hulpverleningskaart, namelijk plaatsen waar het voor de diensten en de brandweer in het bijzonder, moeilijk is geworden om tijdig met het nodige materiaal ter plaatse te komen.

Onze fractie is het eens met de bezorgdheid die blijkt uit de aanbevelingen van de commissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administratieve Aangelegenheden over de hervorming van de diensten van de civiele veiligheid. Ze is het echter niet eens met de werkwijze die wordt naar voren gebracht in en de uitgangspunten van de aanbevelingen, die ook de uitgangspunten van de minister zijn. Onze fractie is immers niet zonder meer voorstander van een fusie van de brandweerdiensten en de diensten van de civiele bescherming, wel van een integratie van de civiele bescherming in nieuwe brandweerdiensten op zonaal niveau. Wij vrezen dat de voordelen en de specifieke eigenschappen van onze brandweerdiensten verloren gaan in een federale structuur. De brandweerkorpsen zijn opgericht en ontwikkeld per gemeente, volgens de plaatselijke behoefte. De brandweerdiensten hebben een veel langere ervaring in het inschatten van de plaatsgebonden risico's. Ze hebben ook een zeer degelijke kennis van het plaatselijke terrein. Bovendien betrekken zij, dankzij het engagement van duizenden vrijwilligers, de plaatselijke bevolking bij hun werking en preventieopdracht. De gemeentelijke structuur volstaat niet langer en de zonale structuur moet het zwaartepunt van de nieuwe werking worden. De vanuit de gemeenten spontaan ontstane gewestelijke indeling heeft de voorbije jaren wel tot bijna ieders tevredenheid gewerkt, in schril contrast met de werking van politie en rijkswacht.

Het behoud van de bestaande gewestelijke werking biedt tal van voordelen: er worden geen nieuwe logge structuren gecreëerd, maar een soepel netwerk van hulpverlening; de normale niet-politionele eerstelijnshulp wordt geoptimaliseerd; de bestaande wetgeving dient niet fundamenteel te worden gewijzigd; de bestaande bilaterale overeenkomsten blijven van kracht; de gemeentelijke autonomie wordt niet aangetast; er zullen minder problemen ontstaan op het vlak van de financiering; de provincie en de federale overheid krijgen een coördinatie-instrument in handen in geval van rampen; het materiaal en de manschappen van de permanente eenheden van de civiele bescherming worden geïntegreerd in de hulpverlening; de hulpmiddelen worden niet gecentraliseerd, maar naargelang van de noodwendigheden verspreid over het grondgebied, dichter bij de burger om wiens veiligheid het gaat.

Vooraleer over de definitieve indeling van hulpverleningszones te beslissen, moet een grondige analyse worden gemaakt om de blinde vlekken te kunnen opsporen. Er moeten een inventaris worden opgemaakt en metingen worden verricht om een zicht te krijgen op het effectief beschikbaar personeel, op het beschikbaar materiaal, op de uitruk- en aanrijtijden, op de bestaande risico's zoals verkeersassen, gevaarlijke bedrijven, ziekenhuizen, pijpleidingen en hindernissen. Uit die analyse zal blijken dat de gewestelijke indeling op de meeste plaatsen aan de noden voldoet, maar ook wat de zwakke punten zijn. De meeste bestaande tekorten voor de eerstelijnszorg kunnen worden opgevangen door bilaterale overeenkomsten tussen de gewestelijke en de zuiver gemeentelijke brandweerdiensten. Bijkomend materieel moet worden aangekocht en er moet personeel in dienst worden genomen, als dit volgens de analyse nodig is.

De permanente eenheden van de civiele bescherming kunnen als een apart gewest worden beschouwd en kunnen aansluiten op het netwerk, zodat ze ook in de hulpverlening worden geïntegreerd. Zij staan in voor de tweedelijnshulp in samenwerking met de brandweer en zorgen voor logistieke ondersteuning. In die zin is het opportuun de hiërarchische indeling van brandweer en civiele bescherming op elkaar af te stellen, zodat de herkenbaarheid op het veld groter wordt.

Onze visie vertrekt vanuit de bestaande realiteit en is afgestemd op een praktischer aanpakt. Inzake hulpverlening moet de overheid immers tegelijkertijd garant staan voor continuïteit en voortdurende verbetering. Grootschalige hervormingsoperaties die niet door de basis worden gedragen, kunnen hieraan afbreuk doen.

Onze fractie zal zich onthouden in verband met de aanbevelingen zoals ze geformuleerd zijn in het commissieverslag, dit om inhoudelijke redenen en om formeel-institutionele redenen die hun oorzaak vinden in de agenda van de Costa. Wij vragen ons immers af of de meerderheidspartijen het Sint-Michielsakkoord nog wel willen uitvoeren. Dit akkoord voorziet immers in de regionalisering van de organieke wetgeving inzake de provincies en gemeenten, met behoud van onder meer de eenheid van het brandweerbeleid en het gemeentelijk karakter van de brandweerdiensten.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - De voorbije maanden heeft de commissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administratieve Aangelegenheden zich gebogen over de hervorming van de brandweer en de civiele bescherming. De voorliggende tekst bevat een hele reeks aanbevelingen met betrekking tot de samenvoeging van de verschillende hulpdiensten. Elke inspanning met als doel de kwaliteit van de werking van de hulpdiensten te verbeteren, moet worden gewaardeerd.

Het voorstel om de verschillende hulpdiensten samen te voegen is gebaseerd op ontwikkelingen in het buitenland en op de politiehervorming. Tijdens de hoorzittingen in de commissie zijn belangrijke knelpunten in de huidige werking naar voren gebracht. Er moet een uitgebreide studie komen over de burgerlijke en militaire risicofactoren. De ministers en de provinciegouverneurs moeten noodplannen opstellen en er moet voor gezorgd worden dat die volledig zijn.

De werking van de diensten van de civiele bescherming en ook en vooral van de brandweer heeft te lijden gehad onder een volgehouden bezuinigingsbeleid. Dat moet tot nadenken stemmen en ons ertoe aanzetten maatregelen te nemen. De samenwerking tussen de minister van Binnenlandse Zaken en zijn collega van Volksgezondheid verloopt problematisch. De eerste is verantwoordelijk voor de brandweer en de civiele bescherming, terwijl de tweede normen opstelt inzake de dringende geneeskundige verzorging die door de leden van de brandweer moet worden verstrekt.

De brandweerdiensten zijn zeer versnipperd waardoor hun productiviteit ernstig is afgenomen. De kosten voor de gemeenten zijn ongelijk verdeeld. De onderverdeling van de brandweerdiensten in zones wordt in de eerste plaats aangevoeld als een middel om te bezuinigen. De aankoop van nieuw materiaal via Binnenlandse Zaken wordt gekenmerkt door een overvloed aan administratieve formaliteiten. Sommige gemeenten kopen gespecialiseerd materiaal dat achteraf niet geschikt blijkt te zijn en dus niet wordt onderhouden. Zo gaan middelen verloren die op een andere manier veel nuttiger zouden kunnen worden gebruikt. Het geldelijk statuut van de brandweermannen verschilt van gemeente tot gemeente, wat tot spanningen leidt.

Voor de goede werking van de hulpdiensten is de inzet van vrijwilligers noodzakelijk. Zij hebben nog altijd geen degelijk statuut. Om die reden moet de opleiding voor de brandweer en de civiele bescherming dringend worden herbekeken. In 1998 werd ook mijn gemeente getroffen door zeer ernstige wateroverlast. Ik maak van deze gelegenheid gebruik om nogmaals hulde te brengen aan al de aparte diensten die schitterend werk hebben geleverd. Ik heb de klachten van de betrokkenen aanhoord en heb vrijwilligers gezien, die zonder de nodige uitrusting in zeer zware en gevaarlijke omstandigheden moesten werken. We moeten de nodige aandacht besteden aan een verbetering van het statuut en de uitrusting.

De hulpdiensten moeten worden hervormd teneinde de tekortkomingen weg te werken. In de aanbevelingen wordt gepleit voor een nieuwe structuur, een vaststelling van de risico's, betere opleidingen en professionalisering, een eenvormig statuut en een herziening van de financiering.

Over de manier waarop die punten moeten worden aangepakt verschilt de Senaatscommissie nogal wat van mening met het ministerie van Binnenlandse Zaken.

In de aanbevelingen wordt voorgesteld de opsplitsing van de civiele bescherming en de brandweer op te heffen en beide diensten te integreren in een nieuwe structuur, waarbij drie niveaus worden onderscheiden: een basisniveau, een tussenniveau ter hoogte van de provincie, en een federaal niveau. De provinciale bevoegdheid wordt extra benadrukt. De minister van Binnenlandse Zaken is daarentegen van mening dat er naar analogie met de nieuwe structuur voor de politie, op provinciaal niveau een gedeconcentreerde hulpdienst moet komen, die afhangt van het federale niveau. Het meningsverschil moet dringend worden uitgeklaard.

Een systeem dat de risico's per gebied bepaalt, is noodzakelijk. Aan de hand van deze risicoinschatting kan tevens een minimumnorm voor personeelssterkte worden opgesteld.

Een gedegen en geharmoniseerde opleiding is eveneens een prioriteit. De commissie beveelt de oprichting aan van een federale academie voor officieren en een verhoging van de middelen voor de provinciale scholen. Het ministerie van Binnenlandse Zaken stelt een aanpassing voor op het vlak van de organisatie, de werking en het beheer van de scholen. De provinciale scholen houden zich bezig met de basisopleiding en de middenkaders. Op federaal vlak wordt de opleiding voor het officierenkader verfijnd en worden bijzondere opleidingen georganiseerd.

Tijdens de hoorzittingen werd meermaals gewezen op de noodzaak van een harmonisering van het statuut. Er werd voorgesteld de hiërarchie te herzien en drie graden te creëren voor de nieuwe civiele veiligheidsdienst, namelijk officier, onderofficier en een basiskader, en daarnaast nog een administratief kader.

Terecht wordt gepleit voor de mogelijkheid tot verticale en horizontale mobiliteit tussen de zones en de gespecialiseerde federale veiligheidsdiensten.

De werking van de civiele veiligheidsdienst kan niet worden verzekerd zonder de inbreng van vrijwilligers. Hun statuut moet dan ook wettelijk worden geregeld. In de aanbevelingen wordt hiervoor een termijn van vijf jaar voorgesteld. Het ministerie van Binnenlandse Zaken streeft naar een oplossing op kortere termijn, en zelf ben ik daar ook een vurige pleitbezorger van.

De gelijkheid tussen man en vrouw moet inzake carrièremogelijkheden in de civiele veiligheidsdienst worden gewaarborgd. De pensioenleeftijd dient te worden gelijkgeschakeld.

De financiering moet worden herzien. Op basis van objectieve criteria, zoals aard en grootte van de zone en risicoanalyse, kunnen de minimumnormen inzake personeelssterkte en materiaal worden bepaald.

Gemeenten die vroeger hun verantwoordelijkheid op het vlak van brandweer en veiligheid weinig of niet namen, zullen worden geconfronteerd met een hogere factuur. Het is maar normaal dat alle gemeenten een evenwaardige bijdrage leveren.

Bij de lezing van het verslag en de aanbevelingen betreffende de hervorming van de diensten van de civiele veiligheid blijven een aantal vragen onbeantwoord.

Wat is het draagvlak van deze hervorming? Tegenover de aanbevelingen van de Senaatscommissie is er het voorstel van het ministerie van Binnenlandse Zaken, mogelijk beducht voor de onmiskenbare budgettaire implicaties van de aanbevelingen, om zelf een ontwerp van wet in te dienen. Opvallend is ook de afwezigheid van het ministerie van Volksgezondheid in het debat. Dat is nochtans bevoegd voor de normen inzake dringende geneeskundige verzorging.

Bovendien zijn op het terrein de meningen over de voorgestelde hervorming verdeeld, wat wellicht kan worden verklaard door de heersende onduidelijkheid. De vertegenwoordigers van steden en gemeenten zijn in de hoorzittingen niet aan bod gekomen. Hun aanbevelingen kunnen nochtans niet te onderschatten financiële repercussies hebben. Extra reflectie hierover is geen overbodige luxe.

Moet deze hervorming met spoed worden aangepakt? De VLD-fractie en ik persoonlijk vinden van wel. Er moet meer, beter en rationeler overleg komen over de investeringen. Dat is duidelijk. Er moet meer samenwerking komen, vooral op het vlak van de preventie. De recente ramp in Nederland heeft dat nog maar eens overduidelijk bewezen. Ik wil nog eens onderstrepen - ook ten behoeve van onze CVP-collega - dat men de brandweer jarenlang heeft laten verkommeren en dat werkt uiteraard zeer demoraliserend. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt zeker niet bij de VLD.

Spijtig genoeg heb ook ik niet zo lang geleden in mijn gemeente ervaring opgedaan met een verschrikkelijke en heel gevaarlijke brand. Eens te meer moest ik de inzet waarderen van de brandweer, zowel van de statutair tewerkgestelden, als van de vrijwilligers, die voor de veiligheid van de bevolking hun leven riskeren.

Het witboek dat de brandweer heeft samengesteld moet dringend grondig worden bekeken. Zij verwachten van ons heel snel maatregelen die hen helpen, maar meteen ook ten goede komen aan de bevolking.

Omdat de Raad van State vorig jaar veel kritiek had op een wetsvoorstel over de hervorming van de diensten van de Civiele veiligheid is het voorstel omgezet in een reeks aanbevelingen, waarover de rapporteur overigens een schitterend verslag heeft uitgebracht.

De VLD is tevreden dat we nu een beter zicht hebben op de problematiek van de hulpdiensten. De maatschappij is inderdaad geëvolueerd en de risico's zijn complexer geworden. Een gespecialiseerde aanpak is dus noodzakelijk. De ervaringen met de hervorming van de politiediensten kunnen nuttig zijn voor de samenvoeging van de hulpdiensten tot één dienst voor civiele veiligheid. Een aantal aanbevelingen kunnen een positieve bijdrage zijn tot de hervorming van de brandweer en de civiele bescherming. Voor een wetgevend initiatief rekent de VLD in de eerste plaats op de minister van Binnenlandse Zaken.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Met dit verslag vervult de Senaat een van de opdrachten die hem is toevertrouwd, meer bepaald na te denken over de organisatie van de staat, in dit geval de provincies en de gemeenten.

Onze commissie leverde uitstekend werk. De formule van de hoorzittingen, die dan tot wetgeving kunnen leiden, betekent een vernieuwing van de parlementaire werkmethodes.

Allereerst hebben we voorgesteld het geheel van deze diensten "diensten van civiele veiligheid" te noemen. Dat deze diensten nu een naam krijgen is heel belangrijk omdat hiermee duidelijk wordt gemaakt dat men deel uitmaakt van een bepaalde structuur.

Naast het leger en Octopus, moet ook over de civiele veiligheid worden nagedacht.

Het verbaast me dat men het in verband met Euro 2000 altijd maar over de rijkswacht heeft en nauwelijks over de civiele veiligheidsdiensten. Als zich een catastrofe zou voordoen, moeten immers ook deze diensten optreden.

Deze hervorming, waarin modernisering en efficiëntie een belangrijke rol spelen, heeft betrekking op het belangrijke gedeelte van de burgerbescherming dat onder de bevoegdheid van de minister en van zijn departement valt.

Ik merk op dat de naam van de rapporteur ontbreekt op het einde van het verslag. Ik zal alleen ingaan op de aanbevelingen die snel moeten worden uitgevoerd. De heer Dallemagne en ikzelf zullen een wetsvoorstel indienen waarin wij de principes van ons verslag zullen opnemen.

Als de regering nu ook zijn wetsontwerp indient, kunnen we hierover een breed debat organiseren. Brandweer en civiele bescherming moeten samenwerken. Uit contacten blijkt dat een doorgedreven harmonisering van de diensten geen al te grote inspanningen zal vergen. Dit zal leiden tot een betere aanwending van gebouwen en investeringen.

De drie niveaus zijn een goede zaak. Op federaal niveau betekent de oprichting van een Federale raad voor de civiele veiligheid een echte vooruitgang.

Het statuut is een essentieel onderdeel van het welslagen van elke hervorming. Bij de diensten van civiele veiligheid verschillen de statuten nog meer dan bij de politie het geval was. Ook wat de financiering betreft, bestaan er grote ongelijkheden. We zijn van mening dat elke burger ongeveer dezelfde bijdrage zou moeten leveren voor de bescherming van het grondgebied. Het statuut van de vrijwilligers moet worden geherwaardeerd. Het nieuwe statuut voor de politiediensten kon pas gerealiseerd worden nadat de wedden van de basispolitie en de onderofficieren substantieel werden opgetrokken. Brandweerlui wagen hun leven elke dag, meer zelfs dan politieagenten. Een herwaardering van de hulpdiensten moet dus worden onderzocht, met als tegenprestatie een verhoogde efficiëntie en een harmonisering van de vrijwilligersstatuten.

Voor het beroepspersoneel dienen overbodige militaire verwijzingen te worden afgeschaft en moet er een vereenvoudiging komen zodat nog drie categorieën overblijven: officieren, onderofficieren en basisgraden.

De commissie is er niet in geslaagd een precieze aanbeveling te formuleren in verband met de pensioenleeftijd. Er moet alleszins rekening worden gehouden met de lichamelijke risico's die op een bepaalde leeftijd toch zwaar doorwegen. In de huidige regeling kan aan de brandweerlieden brugprepensioen worden toegekend, maar er is niet bepaald vanaf welke leeftijd, waardoor de korpsoversten vaak in moeilijke syndicale onderhandelingen verwikkeld raken. Ik dring erop aan dat een pensioenleeftijd wordt vastgesteld die rekening houdt met de risico's die de betrokkene heeft gelopen. Persoonlijk pleit ik voor een progressieve verlaging van de pensioenleeftijd tot 56 jaar.

Zoals ook bij de politiehervorming het geval was, vormt de mobiliteit een belangrijk onderdeel van de hervorming van de civiele veiligheidsdiensten.

Zoals al bleek in de commissie, is opleiding een belangrijk punt.

De technologie zal meer en meer tot professionalisering dwingen en dit in alle korpsen.

Een betere training en een betere opleideing, gekoppeld aan een geherwaardeerd statuut, zullen van de civiele veiligheid een kwaliteitskorps maken.

In ons land zijn de risico's niet in kaart gebracht. Het voorval in Enschede toont nochtans aan hoe belangrijk dit is. Er wordt nu aan gewerkt, maar het zou wat sneller moeten gaan. Gebrekkige informatie kan een abnormaal of ernstig risico inhouden.

We zijn ook bijzonder gevoelig voor de gevaren van het vervoer van gevaarlijke producten op onze overbelaste autowegen. Hierover moet diepgaand worden nagedacht. Voor de weggebruikers die veel onderweg zijn, is de risicodekking op dit ogenblik volkomen ontoereikend.

Volgens sommigen zouden de vooropgestelde maatregelen een aanslag betekenen op de gemeentelijke autonomie. Hoewel ik een fervente verdedigster ben van de gemeentelijke autonomie, vind ik een dergelijke bewering volkomen achterhaald. Men moet durven toegeven dat het huidige systeem niet meer werkt. Om dit te illustreren verwijs ik naar de gemeente Engis, die omwille van de kortere interventietijd voor een aansluiting bij de brandweerdienst van Hoei opteerde. De gouverneur van de provincie Luik wou hierop niet ingaan omdat Engis deel uitmaakt van de intercommunale voor civiele veiligheid van Luik.

Men stelt nu voor aan Engis om zowel de diensten van Luik als van Hoei te betalen. Bovendien moet Hoei van de gouverneur twee bijkomende graden in de brandweerdienst invoegen omdat Engis 7.000 inwoners telt. Dat betekent dat de inwoners van Hoei en niet die van Engis, 3,5 miljoen meer moeten ophoesten.

Dit is een absurde situatie. We moeten dringend overstappen naar een operationeel systeem dat de 21ste eeuw waardig is, en een einde maken aan deze kleingeestige vorm van gemeentelijke autonomie waarvan zelfs de gemeentebestuurders vinden dat ze te veel risico's inhoudt.

De aanbevelingen, die met een ruime meerderheid werden goedgekeurd, zullen binnenkort worden opgenomen in een wetsvoorstel dat wij in de Senaat zullen indienen. We hopen op die manier te hebben bijgedragen tot de totstandkoming van een efficiënte wetgeving inzake veiligheid.

Mevrouw Christine Cornet d'Elzius (PRL-FDF-MCC). - Het onderwerp van dit belangrijke debat is een grondige hervorming van brandweer en civiele bescherming.

Tijdens hoorzittingen in de commissie voor de Binnenlandse Zaken hebben de beroepsverenigingen van de brandweer gewezen op de gebrekkige coördinatie tussen de verschillende diensten.

Er is een goede samenwerking met de brandweer, maar om budgettaire redenen doen bepaalde gemeenten systematisch een beroep op de civiele bescherming, terwijl andere, rijkere, gemeenten vaak materiaal aanschaffen waarmee ze niets kunnen aanvangen omdat het niet behoorlijk wordt onderhouden.

De brandweer vraagt een betere structuur met beheersorganen, wat volgens de verantwoordelijken voor een zone een beter en eenvormig statuut voor de brandweerlieden en een statuut voor de vrijwilligers veronderstelt.

Bovendien krijgt de brandweer steeds meer dringende oproepen waaraan onmiddellijk gevolg moet worden gegeven. De brandweer, de eerste lijn in de hulpverlening bij brand en andere rampen, werd in de vorige regeerperiodes verwaarloosd.

Onze bezoeken en hoorzittingen hebben tal van disfuncties aan het licht gebracht. Zo zijn de risico's slechts heel summier in kaart gebracht.

Er is te weinig samenwerking tussen de minister van Binnenlandse Zaken, bevoegd voor de brandweer en de civiele bescherming, en de minister van Volksgezondheid, die de normen voor de ambulanciersdiensten en de dringende medische hulp vastlegt.

De aankopen gebeuren erg chaotisch.

Aangezien de brandweerkorpsen op het gemeentelijk vlak worden beheerd, zijn er heel wat verschillende statuten, wat wrijvingen tussen de verschillende korpsen heeft doen ontstaan.

De civiele bescherming is een federale bevoegdheid en de brandweer heeft niet dezelfde structuur.

Er moet een statuut komen voor de vrijwillige brandweermannen en de opleiding van het personeel moet eenvormig worden gemaakt.

De minister heeft gezegd dat hij een ronde tafel heeft bijeengeroepen om de diensten met alle betrokken ministers grondig te evalueren.

Ook op het internationale vlak moet een en ander worden geregeld.

De bevoegdheden van de ministers van Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid met betrekking tot de organisatie van de dringende medische hulp moeten worden afgebakend.

De hele structuur van de dringende medische hulp moet opnieuw worden bekeken op federaal en zonaal niveau.

De opdrachten van de verschillende diensten op het gebied van preventie moeten opnieuw worden gedefinieerd.

Het beheer van de opleiding is belangrijk en geschikt materiaal moet worden aangekocht.

De relaties met de 100-centra moeten opnieuw worden bekeken en verduidelijkt.

Het personeel moet beter worden opgeleid. Daarom moet het gehele systeem worden doorgelicht.

Na alle betrokken actoren op het terrein te hebben gehoord, heeft de commissie een reeks aanbevelingen geformuleerd die met een ruime meerderheid zijn goedgekeurd.

De aanbevelingen hebben vooral betrekking op de structuur, met name de oprichting van een Federale Raad voor de civiele veiligheid. Die zou een adviserende rol moeten hebben en zou initiatiefrecht kunnen krijgen.

Er zouden ook provinciale en zonale raden voor de civiele veiligheid moeten komen, waarbij de burgemeesters zouden moeten worden betrokken.

Onze commissie vraagt ook dat risicocriteria worden vastgesteld en dat de risico's, ook op de vervoersassen, in kaart worden gebracht.

Het personeel moet beter worden opgeleid en daarom moeten de provinciale scholen meer middelen krijgen.

Het statuut van het personeel moet worden herzien. Er mogen maar drie rangen meer zijn: officieren, onderofficieren en basisgraden, administratief personeel niet meegerekend.

Er moet een verticale en horizontale mobiliteit komen voor ieder personeelslid van de civiele veiligheidsdiensten.

Het statuut van de vrijwilligers moet in ongeveer vijf jaar geleidelijk worden ééngemaakt.

Wat de financiering betreft, moet deze hervorming de lasten, op basis van objectieve criteria, op billijke wijze verdelen.

De twee diensten moeten bijeengevoegd worden om het beschikbare materiaal en personeel optimaal te benutten en om de problemen als gevolg van gebrekkige coördinatie en samenwerking te doen verdwijnen.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - De hulpdiensten moeten beter werken en hebben nood aan meer middelen. De hervorming beperkte zich tot hiertoe tot gesprekken in de commissie en tot toelichtingen op persconferenties. Omdat de geografische gegevens in de verschillende landsdelen verschillend zijn en de hulpverlening er op een andere manier wordt aangepakt, is het beter eerst te overleggen tussen de gemeenschappen. De discussie over het materieel, over de verbindingsmogelijkheden en de verplaatsing van hulpverleners naar hun kazernes en naar de plaats waar hulp moet worden geboden, moet in de Senaat worden gevoerd en niet op "verplaatsing". In het verslag wordt nogal fier gedaan over de vele bezoeken ter plaatse die de commissie heeft afgelegd. Bij het bezoek bijvoorbeeld aan de brandweer van Beveren waren om 10 uur de burgemeester, de rijkswachtofficier, twee brandweerofficieren, twee verantwoordelijken van de ambulancedienst, de vertaaldienst van de Senaat, de medewerkers van de commissie en één senator aanwezig. Om kwart voor twaalf arriveerde de voorzitter van de commissie. Op het einde van de vergadering waren er twee senatoren ter plaatse. Ik wil die bezoeken op zijn minst relativeren en erop wijzen dat het noodzakelijk overleg met de gemeenschappen beter in de Senaat wordt gevoerd. Hier is immers alle accommodatie aanwezig. Ik wil wel hulde brengen aan de medewerkers van de commissiedienst die bij de bezoeken ter plaatse voor de nodige documenten zorgden. Hun werk wordt onderschat.

Er wordt voorgesteld om op twee niveaus, het federale en het zonale niveau te werken. Ik wees daarjuist al op de verschillende noodwendigheden per landsdeel en vraag me af waarom ook geen niveau per landsdeel wordt ingevoerd.

Net als twee vorige spreeksters wens ik ook een stelling te verduidelijken met een anekdote die aanduidt dat er momenteel in grensgebieden te weinig afspraken worden gemaakt met hulpdiensten uit het buitenland. Zo worden in Voeren betonnen paaltjes in het midden van grenswegen geplaatst omdat de hulpdiensten van het naburig land de plaats van de ramp niet zouden kunnen bereiken. Het dossier Voeren ligt bij de minister, maar volgens mijn informatie wordt het tegengewerkt door de gouverneur van Luik. Het dossier werd opgestart nadat een Nederlands brandweerkorps in een gehucht van Voeren verbod kreeg de boerderij van een Vlaamse boer, in afwachting van de komst van de brandweer van Herve Batisse, verder te blussen.

Die boerderij is dan ook afgebrand want dit korps moet van veel te ver komen.

In hetzelfde dossier staat dat de Vaste commissie voor taaltoezicht een fractieleider in de gemeenteraad, de heer Broers gelijk gaf toen die eiste om Nederlandstaligen in te zetten in de telefooncentrale van de brandweer van Herve-Batisse, zodat de plaats en de straatnaam juist kan worden begrepen. In Voeren zijn er immers heel wat burgers die een plat Diets dialect spreken en geen Frans kennen. Zij hebben dus problemen om plaatsnamen telefonisch mee te delen aan een Fransprekende. De wetten van openbare orde, die de taalwetten tenslotte zijn, moeten overal gelden, ook in dit geval. De minister heeft de afwikkeling van het dossier in handen.

Wanneer we de anekdotes nader bekijken, ontdekken we dat we te veel dromen, te veel boven de hoofden van de burgers spreken, te veel in grote termen spreken en iets te weinig naar de dagelijkse praktijk kijken.

De commissie voor de Binnenlandse zaken en de administratieve aangelegenheden stelt de oprichting voor van een federale raad voor de civiele veiligheid en van provinciale en zonale raden. Ik verwijs hier opnieuw naar de noodzaak van een gesprek met de gemeenschappen.

Het provinciale tussenniveau dat hier nog wordt gehanteerd, is op veel andere terreinen achterhaald door de economische ontwikkeling. De Antwerpse industrie bijvoorbeeld is onlosmakelijk verbonden met de Oost-Vlaamse industrie omdat het havengebied zich uitstrekt op de twee Scheldeoevers. Het gaat niet op om in dat geval een provinciale grens te hanteren en crisiscentra op te richten voor twee verschillende provincies. Hetzelfde geldt voor het Kempens industriebekken waarbij zelfs drie verschillende provincies betrokken zijn. Provinciegrenzen zijn volledig achterhaald. De opmerkingen die in de commissie werden gemaakt door de commandant van de permanente eenheid van de burgerbescherming in Liedekerke over de ondoelmatige crisiscentra wijzen er enkel op dat deze crisiscentra te provinciaal gericht zijn en onvoldoende rekening houden met omschrijvingen die beter aan de realiteit beantwoorden.

Het zuiver Franse systeem, dat door de prefect van het departement van de Rhone werd toegelicht, legt de verantwoordelijkheid bij het departement. De prefect beoordeelde dit systeem als efficiënt. Misschien, hoewel ik het betwijfel, volgen de departementsgrenzen in Frankrijk wel de ontwikkelingen. In België zijn de provinciegrenzen niet langer bruikbaar als omschrijvingen van gebieden die samen horen of die door één crisiscentrum moeten worden bediend.

De zonale omschrijvingen waarnaar werd verwezen, zijn meer gegroeid via de samenwerkingsverbanden tussen de verschillende gemeenten en laten een veel efficiëntere werking toe. Zou het provinciale niveau niet beter vervangen worden door het gemeenschapsniveau, waardoor we beantwoorden aan de vraag om in de discussie meer met de verschillende geografische gegevens van de landsdelen rekening te houden?

De aanbevelingen hebben te weinig oog voor de realiteit van de gemeenschappen en te veel oog voor het federale niveau en voor voorbijgestreefde provinciale grenzen. De aanbevelingen zijn onvoldoende verfijnd om de veiligheid van de burger te verbeteren, waar het toch vooral om gaat. Ik zou kunnen pleiten voor grote projecten, zoals een samensmelting van politie en rijkswacht, de volledige regularisatie, het volledige terugkeerbeleid, de totale hersmelting van de civiele veiligheid. Voorbeelden uit de praktijk tonen echter aan dat we misschien beter proberen om de bestaande instellingen goed te laten functioneren en om de bestaande wetten volledig toe te passen.

Ik sta volkomen achter een verbetering van het statuut van de medewerkers van die instellingen en achter alle inspanningen om de diensten beter te laten werken. Tegelijk moeten we echter oog hebben voor de kleine problemen van elke dag. Ook door die aan te pakken kunnen we de diensten beter laten functioneren.

Het Vlaams Blok zal tegen de aanbevelingen stemmen, niet omdat we bezwaar hebben tegen een verbetering van het statuut van het personeel, niet omdat we gekant zijn tegen meer middelen voor de diensten. Wel omdat in de aanbevelingen geen woord te lezen staat over de zo noodzakelijke regionalisering van de diensten. Dat is in onze discussie jammer genoeg niet aan bod gekomen. Ik hoop dat de regering deze `vergetelheid' goedmaakt in het wetsontwerp dat ze zal indienen en daarin oog zal hebben voor de noden van de verschillende landsdelen en voor het proces van verdergaande regionalisering. In het debat over het belang van de veiligheid van de verschillende burgers mag deze kwestie zeker niet verdwijnen tussen de plooien van federatieve en provinciale belangen, want het belangrijkste niveau daarvoor is zonder twijfel dat van de gemeenschap. Ik kijk dan ook met veel belangstelling uit naar de wetgevende initiatieven die de regering zal nemen.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

De heer Chokri Mahassine (SP). - Om niet in herhaling te vallen met wat de vorige sprekers naar voren brachten, zal ik slechts een korte uiteenzetting houden. Overigens beschikken we ook over een zeer degelijk en goed geschreven verslag, waarvoor ik rapporteur Dallemagne van harte feliciteer.

Ik kan volkomen akkoord gaan met de voorgestelde aanbevelingen. Ik wil er hier vooral voor pleiten dat we de problematiek van de veiligheid van de burger met de nodige deskundigheid behandelen en dat we ons terdege laten voorlichten door alle betrokken instanties, diensten en belangengroepen. We moeten daar voldoende tijd voor nemen en daarna, bij de invoering van de hervormingen met de nodige voorzichtigheid te werk gaan en iedere stap goed evalueren. Alleen op die manier kunnen we deze belangrijke hervorming tot een goed einde brengen.

Terzijde wil ik ervoor waarschuwen dat we bij de hervorming van de civiele bescherming en de brandweer de ene dienst niet mogen laten opslorpen door de andere.

In de eerste plaats moet de vorige hervorming, waarbij de brandweerzones opnieuw werden afgebakend en verschillende korpsen met mekaar zijn beginnen samenwerken, helemaal worden voltooid. Er werd toen een billijke kostenverdeling tussen inwoners van centrumgemeenten en van omliggende gemeenten uitgewerkt. Uit deze hervorming kunnen we lessen trekken om de volgende, meer ingrijpende hervorming efficiënt aan te pakken.

In de tweede plaats moet er duidelijkheid komen inzake het statuut van de vrijwilligers. De twaalfduizend mensen die zich vaak al jaren met veel enthousiasme voor onze veiligheid inzetten verdienen een beter statuut, dat hen overigens herhaaldelijk al werd beloofd. De bestaande ongelijkheid tussen de vrijwilligers van de verschillende korpsen, die een voortdurende bron is van onduidelijkheid, ongenoegen en demotivatie, moet worden weggewerkt. In de plaats moet er één statuut komen voor alle vrijwilligers.

Verder sluit ik me aan bij de pleidooien voor een verbetering van het oproepsysteem, van de communicatie, de opleiding, enzomeer, thema's die hier al meermaals aan bod zijn gekomen.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik zal het uitstekende verslag van de heer Dallemagne goed kunnen gebruiken bij het onderhoud dat ik op 28 juni met de brandweermannen zal hebben. Het bewijst dat zowel de minister én de Senaat aandacht hebben voor hun problemen. Ik zal mij trouwens eerst en vooral toeleggen op de verbetering van het statuut van de vrijwilligers.

Alle Belgen zijn zich bewust van het belang van de veiligheidsdiensten. Wij hebben daarvoor geen Euro 2000 nodig. In dat verband wordt te veel over de veiligheid gesproken en te weinig over het voetbal. Hoe dan ook, wij staan klaar om tijdens dit evenement de veiligheid te waarborgen.

In het commissieverslag staan een aantal vaststellingen en aanbevelingen en worden bekommernissen geformuleerd, die ook de mijne zijn.

Om deze bekommernissen beter te begrijpen, is het nuttig eerst de opdracht van de civiele veiligheid duidelijk af te bakenen. Er moet een klare en eenvormige benaming komen om het geheel van de diensten aan te duiden die belast zijn met de civiele veiligheid.

Ook in deze geldt het principe dat de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk moeten worden aangewend.

De civiele veiligheid moet een duidelijke opdracht krijgen, namelijk de burger op een heldere wijze en tijdig inlichten over de potentiële risico's die er zijn, zowel op het persoonlijke en patrimoniale vlak als voor het milieu. Wij wensen een efficiënte bescherming tegen deze risico's en wanneer er een ongeluk gebeurt, willen wij dat zo spoedig en zo efficiënt mogelijk hulp wordt geboden.

Daarvoor zijn performante en dynamische veiligheidsdiensten nodig, met goed opgeleid en gemotiveerd personeel en met modern en efficiënt materiaal.

Om dat te bereiken, wil ik de civiele veiligheid grondig hervormen. Het verheugt mij vast te stellen dat mijn plannen in de lijn liggen van verschillende aanbevelingen van de commissie.

Dat de Belgische brandweerkorpsen een zeer hoog niveau bereiken, wordt geregeld bevestigd door de media. Toch is het altijd mogelijk nog beter te doen, al was het maar omdat de technologie blijft evolueren.

Anderzijds belemmeren de verouderde structuren van de brandweerdiensten en de diensten van de civiele bescherming een betere coördinatie.

In mijn hervormingsplan voorzie ik in een geleidelijke verandering van deze structuren. Daarbij neem ik, naar het voorbeeld van de interpolitiezones, de hulpverleningszones als basis. Sommigen spreken over een nieuwe "octopus". Ze hebben niet helemaal ongelijk. De constante verwijzing naar de gemeente als instelling die het dichtst bij de burger staat, is vandaag niet meer opportuun. De gemeenten zelf zijn zich daar trouwens zeer goed van bewust.

Om deze hervorming concreet gestalte te geven, zal ik een uitgebreid overleg organiseren. Ik heb de beroepsverenigingen reeds uitgenodigd op een rondetafelgesprek waar ik hen mijn voorstellen zal voorleggen. De hoorzittingen in de Senaat moesten dienen om de bestaande toestand in kaart te brengen. Mijn overleg zal betrekking hebben op maatregelen die in beslissingen zullen uitmonden. Ik zal bedachtzaam en zonder overhaasting tewerk gaan.

In het kader van de interministeriële conferentie heb ik een overleg met de gewesten georganiseerd. Immers, de beslissingen die op federaal vlak genomen worden, zullen gevolgen hebben voor de wijze waarop de gewesten in de toekomst zullen moeten werken. Ik stel hun deskundigheid op het vlak van de veiligheid erg op prijs. De veiligheid houdt niet op aan de grens van een provincie of gewest. Zij heeft zelfs een internationale dimensie.

Door de oprichting van hulpverleningszones wordt een betere coördinatie mogelijk en zullen onze veiligheidsdiensten efficiënter kunnen werken.

Is een fusie van alle diensten daarvoor noodzakelijk? Ik pleit voor voorzichtigheid, voor een pragmatisme en kritische benadering. Het gaat niet om een revolutie, maar om een hervorming.

Bepaalde diensten moeten worden ontzuild en hervormd, maar dat betekent niet dat ze van vandaag op morgen moeten worden samengesmolten.

Er zijn echter niet alleen structurele problemen. Ook de werkingsmiddelen moeten worden aangepast, zowel kwantitatief als kwalitatief. Dat zal mogelijk worden door een meer coherent en rationeel infrastructuur- en investeringsbeleid dat nu eens streeft naar standaardisatie van het materiaal en dan weer rekening houdt met de specifieke risico's van een bepaalde zone.

Mijn grootste bezorgdheid betreft het personeel. Ik geef voorrang aan een wettelijk statuut voor de vrijwilligers en het personeel van de verenigde oproepcentra. Ik probeer hier zoveel mogelijk met de minister van Volksgezondheid samen te werken. De hulpverleningszones, die een belangrijke rol zullen spelen, zullen op korte termijn worden afgebakend.

Het dossier van de interdepartementale samenwerkingsverbanden, in bijzonder met het ministerie van Landsverdediging, moet nog voor de herfst van 2000 uitmonden in eerste concrete resultaten. Er moet vooruitgang worden geboekt in de coördinatie met Volksgezondheid. De coördinatie moet structureel zijn, ze mag niet afhangen van personen.

Ik besef ten volle dat ik wetsontwerpen zal moeten indienen met duidelijke voorstellen inzake de identificatie van de risico's, de organisatie van de hulpverlening en de noodplannen.

Ik ben blij met het werk dat de Senaat heeft verricht. Het is een eerste, weliswaar theoretische, stap in de richting van een voorzichtige, ernstige en efficiënte hervorming. Deze hervorming beantwoordt aan een reële behoefte. Ze schrikt niemand af, integendeel.

- De bespreking is gesloten.

- De stemming over de aanbevelingen van de commissie heeft later plaats.