|
Nederlandse Vereniging van Belangstellenden in het Brandweerwezen | |
|
Naar Index-pagina Ambulance-hulpverlening |
Dringende geneeskundige
hulpverlening in België
Inleiding
Om het 'ambulance-landschap'
in België beter te begrijpen, is het noodzakelijk om een aantal wetteksten te
bestuderen. De materie is zeer
complex en onoverzichtelijk en is dringend aan een 'coördinerende wetgeving'
toe. Aangezien ik gevraagd werd om
toch een overzicht te geven van de Belgische situatie, ben ik zo vrij geweest
mij te gaan baseren in het 'Handboek voor de hulpverlener-ambulancier' van het
Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, Bestuur van de
Gezondheidszorgen - Dienst Geneeskundige Hulp aan de Burgerbevolking.
Deze handleiding is tevens het basiswerk voor elke
ambulancier-hulpverlener voor de dringende geneeskundige hulpverlening.
In
deze korte situatieschets beperk ik mij tot de 'dringende geneeskundige
hulpverlening' en zal niet verder uitweiden over het niet-dringend
ziekenvervoer, alhoewel de grens soms in een schemerzone ligt.
Het niet-dringend ziekenvervoer wordt meestal verzorgd door private
ziekenwagendiensten of door het Rode Kruis.
De dringende geneeskundige hulpverlening wordt verzorgd door
ziekenwagendiensten uit de privé, brandweerdiensten, ziekenhuizen, etc. mits
een erkenning door het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en
Leefmilieu.
![]() |
![]() |
![]() |
| reanimatiewagen
- eerste generatie - Mercedes Stadskliniek Sint-Niklaas |
reanimatiewagen
- ministeriële wagen - Peugeot Stadskliniek Sint-Niklaas |
ziekenwagen
100 - ministeriele ziekenwagen - VW T4 brandweerdienst Sint-Gillis-Waas |
Een stukje historie
In België is in het Strafwetboek bepaalt dat elke burger hulp moet bieden aan
een persoon in gevaar, zonder zichzelf in gevaar te brengen.
Voor 1956 beschikte België
niet over een nationaal geordend stelsel dat de dringende geneeskundige
hulpverlening kon besturen. Het
groot aantal epidemieën van polyomelitis heeft ervoor gezorgd dat de publieke
macht een stelsel heeft uitgedacht als eerste antwoord op deze plagen - het
systeem werd 'Nationale Dienst voor Hulpverlening' genoemd. Het systeem richtte zich op het transport van patiënten die
ademhalingsverlamming vertoonden. In
1958 heeft de wetgever de verantwoordelijkheden vastgelegd van de Commissies
voor Openbare Onderstand (huidige OCMW - Openbare Centra voor Maatschappelijk
Welzijn), m.b.t. het transport van patiënten of de eerste hulp die aan elke
persoon op gemeentelijk vlak verstrekt moet worden. Vanaf 1958 werd een eenvormig oproepstelsel georganiseerd dat
op nationale basis de dringende geneeskundige hulpverlening verzekert bij
slachtoffers van verkeersongevallen. In
1959 was het eerste 'hulpcentrum 900' werkzaam in Antwerpen en vanaf 1963 werd
deze dienst over het ganse nationale territorium uitgebreid.
De wet van 8 juli 1964 met betrekking tot de Dringende
Geneeskundige Hulpverlening
Deze wet blijft het
sluitstuk van de organisatie voor de dringende geneeskundige hulpverlening.
Hierin wordt ook de verantwoordelijkheid bepaald van de Staat in het
organiseren van de Dringende Geneeskundige Hulpverlening (kortweg DMH) aan
slachtoffers van een ongeval en aan zieke personen die zich op de openbare weg
of in een publieke plaats bevinden. Deze
wet was zeer vooruitstrevend binnen Europa, maar onderging reeds diverse
wijzigingen. Het eenvormige
hulpnummer 900 werd nationaal omgevormd naar 100.
Het Europese noodnummer 112 is tevens in België actief, doch het
dagelijks gebruik blijft zich hoofdzakelijk baseren op het noodnummer '100'.
Zoals je eerder kon lezen gaat de DMH over personen op een 'openbare
weg of in een publieke plaats'. Deze
termen worden in de praktijk zéér ruim geïnterpreteerd. Wanneer echter de 'aangestelde van de 100' een hupvraag
krijgt vanuit 'een huiskring', kan en moet hij reageren met de middelen die hij
ter beschikking heeft. Uiteindelijk
zijn 50% van de oproepen voor dringende medische hulpverlening problemen die
zich in de privé-sfeer voordoen. Een
100-tussenkomst is dus niet illegaal wanneer ze wordt uitgevoerd in een
woonhuis.
![]() |
![]() |
![]() |
| DMH -
Toyota Landcruiser U.Z. Antwerpen Voertuig Directeur Medische Hulpverlening |
Delta 2
- MUG-wagen Antwerpen |
MUG
Peugeot 806 ziekenhuis Middelheim Antwerpen |
Het hulpcentrum 100 - 112
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken is verantwoordelijk voor de inrichting en
de werking van de hulpcentra 100, terwijl het Ministerie van Volksgezondheid en
Leefmilieu verantwoordelijk is voor de organisatie, de geneeskundige toestellen
en de vorming van de hulpverleners die werken in het kader van de DMH.
De 100 centrales zijn gegroepeerd per provincie (10) bevinden zich
meestal in een brandweerkazerne (vb. Brugge (West-Vlaanderen), Gent
(Oost-Vlaanderen), Hasselt (Limburg), Leuven (Vlaams Brabant), Antwerpen
(Antwerpen)). Een aantal
100-centrales werden opgedoekt en samengevoegd tot de provinciale 100-centrale.
Zo verdween de 100-centrale van Aalst ten voordele van Gent, de
100-centrale van Kortrijk werd naar Brugge doorgestuurd, enz.
Deze samenvoegingen gaven enkele moeilijkheden en leidden soms tot
verhitte discussies over 'verkeerde' hulp en 'foutieve' alarmeringen, maar dat
behoort nu gelukkig tot het verleden. Alle
oproepen naar het hulpcentrum 100 worden opgenomen op magnetische banden,
voorzien van uur en datum. De
100-hulpcentra zijn onderling verbonden en behandelen de oproepen die een
tussenkomst van de brandweer, de dringende geneeskundige hulpverlening en de
Civiele Bescherming noodzaken. Zij
spelen tevens een sleutelrol in de provinciale rampenplannen.
Wanneer een oproeper het
nummer 100 gebruikt, kan de aangestelde onmiddellijk de plaats van waaruit de
oproep geschiedt vaststellen doordat hij automatisch het oproepnummer van deze
persoon op zijn scherm ziet. Op
basis van de oproep stuurt de aangestelde de gevraagde hulp ter plaatse, zijnde
een ziekenwagen (al dan niet aangevuld met een MUG), een klinimobiel
(ziekenwagen met MUG-arts aan boord en voorzien van uitgebreide medische
hulpmiddelen), de brandweer, enz. Het
hulpcentrum zal ook steeds via een rechtstreekse lijn, indien nodig geacht wordt
op basis van de hulpoproep, de politiediensten (hulpnummer 101) in kennis
stellen.
Middelen van de Dringende Medische Hulpverlening
a.
De ambulance 100 - ziekenwagen met minimaal een chauffeur en begeleider
aan boord. Beiden hebben een
basisopleiding (ambulancier-hulpverlener) gekregen en volgen de verplichte
bijscholingen in erkende provinciale opleidingscentra.
De inrichting van een ziekenwagen '100' is niet wettelijk bepaald, wel de
uiterlijke vormgeving is door een koninklijk besluit vastgelegd, in aanvulling
van de Europese richtlijnen.
b. De Mobiele Urgentie Groep (MUG) - personenwagen met een geneeskundige ploeg en transport van reanimatiemateriaal. De MUG doet geen transport van patiënten. Een MUG is steeds verbonden aan een ziekenhuis met een door de 100 erkende spoedgevallendienst. In bepaalde delen van de land wordt de MUG gestationeerd bij een brandweerdienst en bij een alarm gaat een brandweerman-bestuurder de medische ploeg ophalen aan de spoedgevallendienst van het ziekenhuis. In de praktijk is een MUG-wagen meestal bemenst door een MUG-arts en een MUG-verpleegkundige.
De reanimatiewagen (klinimobiel) - een voertuig dat instaat voor het transport van een spoedarts, een patiënt, een spoedverpleegkundige en een ambulancier. Een reanimatiewagen met arts aan boord kan ingezet worden als reanimatiewagen, zonder arts is het een 'gewone' ziekenwagen![]() |
|
![]() |
| DMH-voertuig
prov. Oost-Vlaanderen - Volvo - standplaats Sint-Niklaas |
ziekenwagen
VW LT (eigen middelen) brandweerdienst Zelzate ingezet voor niet-dringende transporten |
ministeriële
100 ziekenwagen Peugeot Boxer brandweerdienst Temse |
Het transport naar het ziekenhuis
In het kader van de wet
van de dringende geneeskundige hulpverlening moet een patiënt vervoerd worden
naar het dichtst bijzijnde ziekenhuis, met een erkende spoedgevallendienst 100,
tenzij de patiënt een gekende 'bijzondere' pathologie heeft in een ander
gespecialiseerd ziekenhuis of een kind dat mag overgebracht worden naar een door
de 100 erkend ziekenhuis met een kinderafdeling. Indien een huisarts een overbrenging vraagt naar een ander
ziekenhuis, moet de arts de patiënt begeleiden in de sanitaire cel van de
ziekenwagen en moet het hulpcentrum op de hoogte gebracht worden van de
afwijking. In de praktijk wordt dit
zeer strikt opgevolgd en stoot de hulpverlenende ploeg soms op veel onbegrip bij
de bevolking. Het kan dus perfect
gebeuren dat een 100 ziekenwagen een aantal ziekenhuizen voorbijrijdt, omdat zij
geen door de 100 erkende spoedgevallendienst hebben.
De dringende geneeskundige hulpverlening in de
rampenplanning
Bij een rampsituatie kunnen 5 disciplines ingeschakeld worden:
-
discipline 1 - de hulpdiensten (brandweer)
-
discipline 2 - de geneeskundige zorgenverstrekkers
-
discipline 3 - de politionele diensten
-
discipline 4 - de Civiele Bescherming
-
discipline 5 - informatie aan de bevolking
-
(discipline 6 - de gerechtelijke instanties)
De verantwoordelijke van
de discipline 2 is de Rijksgezondheidsinspecteur. Op de rampplaats zal de operationele leiding door de
Directeur Medische Hulpverlening (DMH) gedaan worden.
Binnen de provincies zijn een aantal DMH-voertuigen geplaatst.
Een DMH is een MUG-arts die 'officier' van de medische discipline wordt
bij een grootschalige interventie. De
DMH wordt bijgestaan door een adjunct-DMH (een spoedverpleegkundige).
De DMH krijgt een aantal MUG-artsen onder zich, die elk een deeltaak op
zich nemen en aangevuld worden met ziekenwagenbemanningen.
Bij een ramp wordt tevens het Rode Kruis voor logistieke hulp
ingeschakeld. Zo heeft elke
provincie een SIT (Snelle interventieteam).
Deze SIT-wagen is voorzien van tenten en brancards voor het snel
uitbouwen van een veldhospitaal, in de vaktermen een Vooruitgeschoven Medische
Post (VMP) genaamd. In
Oost-Vlaanderen werd dergelijk veldhospitaal voor het eerst uitgebreid opgebouwd
na de kettingbotsing gevolgd door een grote brand van tientallen voertuigen op
de E17 in Deinze. De organisatie
van een rampgebeuren is uitvoerig toegelicht in een ministeriële omzendbrief
van 11 juli 1990.
![]() |
![]() |
![]() |
| ziekenwagen
100 brandweerdienst Kruibeke ministeriële ziekenwagen VW transporter 3 |
ziekenwagen
100 (verhoogd dak) brandweerdienst Kruibeke ministeriële ziekenwagen VW transporter 3 |
ziekenwagen
100 (verhoogd dak) brandweerdienst Kruibeke MB Sprinter aangekocht met eigen middelen |
Het wagenpark
Het wagenpark van de dringende geneeskundige hulpverlening is zeer uitgebreid en
kent vele verscheidenheden. Tot
voor enkele jaren kregen de 100-diensten een ziekenwagen via het Ministerie van
Volksgezondheid toegewezen. Doch om
bezuiningsredenen werden deze ziekenwagens niet meer verdeeld en koopt elke
100-dienst naar eigen vermogen zijn rollend materiaal.
Wat vroeger een vrij uniforme verschijning was in het straatbeeld is nu
een kakofonie van ziekenwagens geworden. De
meest uiteenlopende wagenmerken en constructeurs verschijnen ten tonele.
In de grotere steden wordt de 100-ziekenwagen meestal uitgebaat door een
ziekenhuisdienst. Maar toch zijn
het nog steeds de brandweerdiensten die hoofdzakelijk het dringende
geneeskundige transport verzorgen. Dit
kan dan zowel door beroepsmensen als vrijwillige brandweerlieden gebeuren.
Maar wij kennen in België privé-firma's die instaan voor het
100-transport, alsook in sommige steden en gemeenten (vb. Sint-Niklaas -
Algemeen Ziekenhuis Maria Middelares) gebeurt het transport met ziekenwagens en
mensen van het Rode Kruis. Een
bijzondere situatie is ook het Belgisch Leger, dat instaat voor de MUG-diensten
en de ziekenwagendienst van het militair brandwondencentrum van
Neder-over-Heembeek. In Brussel komen zij steeds ter plaatse bij grotere branden
waar een risico op brandwonden reëel is.
Opgesteld door Sgt.
Jean-Paul Heyens
Ambulancier bij de Gemeentelijke Vrijwillige Brandweerdienst van
Sint-Gillis-Waas en Commissielid van de Provinciale Commissie Dringende
Geneeskundige Hulpverlening Oost-Vlaanderen.
Foto's: Jean-Paul Heyens
![]()