logo VBB Nederlandse Vereniging van Belangstellenden in het Brandweerwezen

Homepage

  Achtergonden                                                                              Naar index Achtergronden


Beveiliging van de werkzone op de openbare weg


Tijdens het K.B.B.F.-Congres te Hamme van 21 oktober 2000 werd het pilootproject "Signalisatie en beveiliging van ongevallen op auto(snel)wegen" voorgesteld door de autowegenpolitie van Oost-Vlaanderen.  Hier werd een strategie uitgewerkt in overleg tussen Federale politie en brandweer Gent om de eerste beveiliging van de tussenkomenden te verzekeren. Aan dit pilootproject werd uitvoerig aandacht besteed op de K.B.B.F.-website en het vakblad 'De Brandweerman" - katern Oost-Vlaanderen - editie december 2000. 

Bij nader onderzoek door de K.O.B. - redactieraadsleden bleek een project reeds volledig uitgewerkt te zijn door de brandweerdienst van Zaventem en werd dit reeds in de praktijk met succes toegepast.

De officier-dienstchef Kapt. ir. Kamiel Heyvaert stelde ons diverse documenten ter beschikking en gaf uitgebreid toelichting over 'De beveiliging van de werkzone op de openbare weg', wij laten U oordelen ...


Tekst opgemaakt volgens BEVEILIGING VAN DE WERKZONE OP DE OPENBARE WEG - ALGEMENE AANBEVELINGEN, beschikbaar gesteld door de Brandweerdienst van Zaventem:


Inleiding door Kapt. ir. K. Heyvaert - officier dienstchef brandweerdienst Zaventem
Naar aanleiding van het dodelijk verkeersongeval, waarbij Bruno Muyldermans, verpleger bij het brandweerkorps van Zaventem het leven liet tijdens de uitvoering van zijn dienst werd, onder impuls van zijn collega’s en met inzet van de Heer Vermeiren, Burgemeester van Zaventem, een werkgroep gevormd.  Het probleem van de veiligheid van het personeel, tijdens de interventies op voornamelijk autosnelwegen, werd als prioriteit gesteld.

De werkgroep heeft, vertrekkend vanuit hun terreinervaring, deze algemene aanbevelingen opgesteld.
Deze aanbeveling vormt een eerste maatregel om de veiligheid van het personeel te verbeteren.  Ze heeft niet de pretentie van volledig te zijn.  Het moet een levend document zijn dat kan inspelen op de evoluties op vlak van het verkeer en het aanbod van signalisatiematerieel.

Onze hoop gaat uit naar de aansprakelijke instanties dat door dit document de aanzet wordt gegeven naar structurele maatregelen en dat onze collega’s van de andere brandweerkorpsen hiervan ook de vruchten mogen plukken, als eerbetoon voor Bruno.

 

1 inleiding

1.1 Algemeen

Geen enkel incident, waarvoor onze diensten interveniëren, is vergelijkbaar met een ander.  Dit houdt in dat aanbevelingen voor de uitvoering van de interventie zich beperken tot basisregels die door de uitvoerders met het nodig gezond verstand moeten worden toegepast en dit op basis van de specifieke omstandigheden van het ogenblik. 

Die specifieke omstandigheden kunnen noodzaken dat er met de nodige flexibiliteit kan worden afgeweken.

1.2 Toepasbaarheid

Deze aanbevelingen zijn toepasselijk, niet enkel bij verkeersongevallen op de A-wegen, maar ook bij alle andere incidenten die er zich op voordoen, wanneer dit nuttig geoordeeld wordt. 

De gehanteerde normen, op vlak van uitzicht en afmetingen, voldoen voor het gebruik op de A-wegen en zijn dus zeker geschikt op alle gewestwegen en gemeentewegen.

1.3 Gekozen systeem

Het ontworpen systeem bestaat er hierin dat, bij interventie met een ziekenwagen op de A-wegen, er steeds een voertuig extra mee uitrukt.

Dit voertuig is  uitgerust met het nodige signalisatiematerieel. 

1.4 Wettelijke bevoegdheid

De wetgever bepaalt de personen die de wettelijke bevoegdheid hebben om verkeersregeling te doen op de openbare weg. 

Deze aanbeveling wijzigt dit niet en kent geen nieuwe bevoegdheden toe.

1.5 Terminologie

Beveiligingseenheid : is het geheel van voertuig en personeel dat de beveiliging uitvoert.

Beveiligingsvoertuig (BV): is het tweede voertuig dat meerijdt met de ambulance. 

Benaming rijstroken:

       Pechstrook : het gedeelte van de A-weg, uiterst rechts, dat niet voorzien is voor het verkeer van voertuigen.

       1° rijstrook: de rijstrook gelegen links van de pechstrook.

       rijstrook: de rijstrook gelegen links van de 1°.

       rijstrook: de rijstrook gelegen links van de 2°.

       rijstrook: de rijstrook gelegen links van de 3°.

Benaming richtingen : wat betreft het gebied waar de brandweer Zaventem tussenkomt, worden volgende richtingbepalingen gebruikt op de A-wegen :

            E 40     : richting BRUSSEL en richting LEUVEN

            Ring 0 : richting Groot-Bijgaarden en richting Tervuren

            A 201  : richting Brussel en richting luchthaven
 

Dispositief : is het geheel van voertuigen en materieel, nadat het opgesteld is.

Toortslamp : draagbare verlichtingslamp, voorzien van een rode ‘hoed’, die verlicht wordt bij het aansteken van de lamp.

2. DOELSTELLING

Deze aanbevelingen hebben tot doel, binnen het Korps, een dienst te organiseren, die instaat voor de beveiliging van de plaats der feiten, op de openbare weg en dit om de eigen diensten en de andere weggebruikers te beschermen.  Deze organisatie moet beschouwd worden als een eerste en dringende maatregel, in afwachting van de aankomst van de politiediensten.

3. UITVOERING

3.1 Algemeen

3.1.1 Het personeel

Het personeel, dat deel uitmaakt van de BE bestaat uit twee personeelsleden.  Zij hebben tot taak de beveiliging op zich te nemen, in afwachting van de aankomst van de politiedienst. 

Zij interveniëren niet op de plaats der feiten voor andere hulpverlening! 

In uitzonderlijke omstandigheden kan dit wel, maar dit onder de dwingende voorwaarden dat:

-          de signalisatie volledig geplaatst is

-          de BE uit twee man bestaat, zodat één personeelslid permanent het aankomend verkeer kan gadeslaan en een verwittigingssignaal (fluitsignaal) kan geven naar zijn collega’s wanneer een voertuig inrijdt op het dispositief.

3.1.2 De kledij

Het personeel zal drager zijn van de diensttenue, de speciaal voorziene kazuifel (zowel bij dag als nacht), en een fluitje.  Deze maatregel wordt uitgevoerd van bij het vertrek uit de kazerne, gezien men, eenmaal op de plaats van opstelling, daarvoor geen tijd meer heeft.  Vooraleer ter plaatse uit te stappen wordt – verplichtend – de helm opgezet.   Om de eigen veiligheid nog te verhogen, heeft men toortslampen ter beschikking.

3.1.3 Het beveiligingsvoertuig

Hiervoor verwijzen wij naar het uitgebreide artikel van het beveiligingsvoertuig Ring0 van de brandweer Zaventem.

3.2.2 De aard van de weg

We kennen allemaal het verschil tussen A-wegen, gewestwegen en gemeentewegen.  Elk van dit type weg heeft zijn eigen maximumsnelheid, al dan niet aangevuld met verkeersborden dit de snelheid verminderen.  Volgens de snelheid is er een verschil in signalisatie.

Hoe meer rijstroken een weg heeft, des te meer kans is er dat het verkeer langs één der vrijgebleven rijstroken verder kan.  Kan het verkeer niet door, dan wordt dit gestopt, in afwachting dat de politiediensten ter plaatse zijn. 

3.2.3 De aard en plaats van de hindernis

Het is van belang dat de opsteller van de signalisatie een idee heeft van hoe de plaats van de gebeurtenis er uitziet. Is de weg op die plaatst recht, bocht naar links of naar rechts, overzichtelijk of niet, top van een helling, stijgend of dalen, kruising, oprit, afrit, het zijn allemaal elementen dit meespelen in de beoordeling.

Heeft hij hierop een zicht, vanop de plaats waar hij zich bevindt, dan is dit eenvoudig; heeft hij echter geen zicht, dan moet er een duidelijke beschrijving komen van het personeel van het interventievoertuig.  Het volstaat niet van te zeggen welke rijstroken versperd zijn,  het is nodig dat men weet welke rijstroken (pechstrook) er nog bruikbaar zijn.  Daarbij is het nuttig in te schatten welke ruimte er noodzakelijk is voor het verlenen van hulp.  Het is dan ook nuttig, zeker op A-wegen, de juiste termen te gebruiken.  Afspraak is dan ook op deze wegen de termen - pechstrook, 1°, 2°, 3° en 4° rijstrook te gebruiken. 

3.2.4 De middelen

Hoe groter de oppervlakte die men moet signaleren, hoe meer middelen er dienen ingezet.  Gezien deze beperkt zijn, moet men alles eenvoudig houden.  Sommige personeelsleden zullen de neiging hebben om zelf als signalisatiemiddel te dienen, maar dit is ten stelligste af te raden.  Men kan, met behulp van de toortslampen wel signalen geven, maar enkel wanneer men zelf in een veilige positie staat.  Belangrijk hierbij is dat men er zich dan terdege van bewust is, dat een bestuurder van een kleiner voertuig, achter een vrachtwagen bv.,  slechts op het allerlaatste ogenblik iets ziet van de situatie en dan ook raar kan reageren.

3.3 De verplaatsing

Bij het vertrek uit de kazerne is men in de voorziene kledij.  De stroomgenerator in het BV is opgestart.

De ziekenwagen en de BE vertrekken als prioritair voertuig, met de kruislichten aan – de BE rijdt steeds als laatste. 

Waar het eerste voertuig naar toe rijdt, volgt ook de BE.  Tijdens de verplaatsing rijdt men op zichtafstand, met een tussenruimte van 100 à 150 meter.  Het is dus aangewezen dat het eerste voertuig niet te snel rijdt, gezien de BE trager is.

Het geluidssignaal en de blauwe zwaailichten worden gebruikt.  De verplaatsing gebeurt met inachtneming van de verkeersregels.  Bij rode verkeerslichten stopt men, pas wanneer het andere verkeer stilstaat, wordt er verder gereden.

Uit ervaring weten we, dat de plaats der feiten slechts bij benadering omschreven wordt door de melder.  Dit houdt in dat het eerste voertuig, wanneer ze hierop zicht hebben, dit onmiddellijk radiofonisch melden aan de BE, met een korte beschrijving en welke rijstroken er beschikbaar blijven voor het doorgaand verkeer.

Bevindt de plaats der feiten zich op een onoverzichtelijk gedeelte (bocht of na een helling), dan moet de BE de afstand tot het eerste voertuig, al rijdend vergroten, zodat zij een plaats kunnen innemen voor het onoverzichtelijk stuk weg.

3.4 Het aanrijden

Het heeft geen zin tegen hoge snelheid de plaats der feiten te naderen.  Hoe sneller men rijdt, hoe bruusker er dient afgeremd en dit dient ten stelligste vermeden. 

De vier knipperlichten van het voertuig mogen gelijktijdig ontstoken worden in deze fase.  Hou er echter terdege rekening mee, dat bij een zijdelingse verplaatsing, dit niet meer kan worden aangegeven met het knipperlicht.

Heeft het eerste voertuig zicht op de plaats der feiten, dan begint men onmiddellijk en geleidelijk te vertragen.  Aan de BE wordt radiofonisch gemeld dat men zich op x-aantal meter bevindt en dat er vertraagd wordt.  Bovendien geeft men door welke rijstroken er nog vrij zijn.  Men kiest steeds de zijde met de meeste ruimte, zelfs indien men langs beide zijden doorkan.  Er wordt rekening gehouden met de ruimte noodzakelijk om te werken.
Opletten dat er geen voertuigen gestopt zijn op de pechstrook om hulp te verlenen.
Gebruik steeds dezelfde terminologie om verwarring te vermijden.

Het personeel van de BE zal, bij ontvangst van dit bericht, dit herhalen, zodat er geen misverstand mogelijk is.  Zij melden ook aan de ziekenwagen of er nog voertuigen tussen hen (de BE) en de ziekenwagen zijn, welke op de versperde rijstroken rijden en nog een reëel gevaar vormen.

De bestuurder van het BV vertraagt geleidelijk en het signalisatiepaneel op het voertuig wordt in werking gesteld (opgelet maximumsnelheid eerbiedigen waarbij het paneel open mag – 40 (80) km per uur).  De signalisatie die in de eerste fase gebruikt wordt is die van de gevaarssituatie. 

Eenmaal dat de BE op de juiste rijstrook is, plaatst men de signalisatielichten in de richting waarlangs het verkeer verwezen wordt, pijl naar rechts of naar links. 

Men stopt het voertuig op een positie waarbij het achteropkomend verkeer het meeste zicht heeft op de signalisatie.  Is men op een recht stuk A-weg, dan laat men 100 meter tussen de eerste signalisatie en de plaats der feiten. Op een andere weg mag deze afstand kleiner zijn.

De eerste signalisatie staat steeds op één rijstrook, nooit half op de ene en half op de andere.  Zij vormt ook steeds de hoek, van het gedeelte dat afgesloten wordt.  Dit wil zeggen dat, wanneer het verkeer naar rechts moet uitwijken, de signalisatie geplaatst wordt, zover als mogelijk naar rechts op de gekozen rijstrook daarbij rekening houdend dat één van de twee inzittenden zal uitstappen langs de zijde van het verkeer en hiervoor een veilige ruimte nodig heeft.

Is men op een driebaansweg en de 2° en 3° rijstrook worden afgezet, dan staat de signalisatie op de 2°rijstrook.  Voor de 3° rijstrook gooit men onmiddellijk een mistfakkel om te voorkomen dat daar nog voertuigen langsrijden.  Is op die rijstrook het verkeer gestopt of de toestand veilig, dan gaat men over tot de plaatsing van de verkeerskegels en de iodiumlampen (flitsers).

Vanaf stilstand, mag de mast omhoog geschoven worden.

Opgelet : ongeacht de plaats waar men stopt is de BE altijd een bijkomende signalisatie, doch men moet steeds vermijden van een bijkomend gevaar te creëren.  Loopt het verkeerd bij het aanrijden en komt men in een gevaarlijke positie, dan rijdt de BE door, na eerst de mistfakkels geworpen te hebben tegen de rand van de rijbaan.  Er zal NOOIT achteruit gereden worden!!  Uiteraard wordt de ziekenwagen hiervan in kennis gesteld.

 
Vergeet niet dat je als uitvoerder, met het nodige gezond verstand, zelf moet uitmaken of de noodzaak zich opdringt om rond te rijden teneinde de BE op te stellen op de veiligste plaats.

3.5 De opstelling

Het eerste voertuig (ziekenwagen) plaatst zich – in principe – voorbij de plaats der feiten, blauwe zwaailichten, lichtbalk en ook de vier knipperlichten in werking.  De personeelsleden van de ziekenwagen zullen steeds aandachtig blijven voor het achteropkomend verkeer.  Ondanks de BE kunnen er toch nog zaken verkeerd gaan :

-          er zijn nog voertuigen tussen hen en de BE die aankomen, voordat de signalisatie werkt

-          er zit iemand te suffen achter zijn stuur en heeft niets gezien

-          de nadering van de BE loopt fout en zij rijden rond

-          iemand is voorbij de BE, doch komt terug op de afgezette rijstrook gereden

Voorgaande en nog andere redenen vereisen dus de nodige omzichtigheid en iedereen die kan, hoort achter de vangrail te gaan.  Als het enigszins mogelijk is, nooit vlak voor of achter een voertuig gaan staan.

De opstelling van het signalisatiematerieel gebeurt steeds meegaand met de richting van het verkeer.

Van het ogenblik dat de BE stilstaat en de signalisatie werkt, stappen de personeelsleden uit, indien mogelijk aan de zijde waar het verkeer NIET langskomt.  Zij begeven zich langs de zijkant van het voertuig naar achteren.

De personeelsleden zullen erop toezien, zich nooit vlak voor of vlak achter de voertuigen op te houden.

Om de signalisatie duidelijker te maken, worden de verkeerskegels en de iodiumlampen geplaatst.  Deze worden in een schuine lijn geplaatst, zodanig dat ze de rijstrook (stroken) die wordt (worden) afgesloten, dwarst (dwarsen).
De plaatsing van kegels en lampen gebeurt door één personeelslid en steeds onder toezicht van het tweede, die moet waarschuwen als een aankomend voertuig dreigt in te rijden op het dispositief (fluitsignaal). 

Men verplaatst zich steeds langs de beveiligde zijde en met zicht op het aankomend verkeer. 

Eerst stapt de opsteller, langs de veilige kant (of tegen vangrail middenberm of over pechstrook) een tiental meter tegen het verkeer in, weg van de BVA.  Hij plaatst de eerste kegel, op de rijstrook aan de zijde van de veilige kant en gaat dan achterwaarts (zicht houden op verkeer) schuin over de rijstrook in de richting van de rijstrook waar het verkeer langs mag.  In functie van de af te leggen afstand, plaatst hij regelmatig kegels en lampen. Zie figuur 2 in bijlage.

Staan de kegels te kort tegen de BE aan, dan kan deze eventueel nog enkele meters verder gereden worden.

Naderhand kan men, indien er nog kegels en lampen voorradig zijn, deze plaatsen op de scheiding van de rijstroken, tussen de BVA en het BV en tussen het BV en de ziekenwagen, zodat de bestuurders niet meer de neiging hebben terug op de afgezette rijstrook te gaan rijden, zeker wanneer deze afstanden groot zijn.

Bij veel verkeer ontstaat spontaan een file, die de veiligheid op de plaats van het ongeval verhoogt.  Het risico van aanrijdingen achteraan in de file is dan echter hoog.  Het is niet aan de brandweerdiensten om aan filebeveiliging te doen.

3.6 Tijdens

Eenmaal de signalisatie volledig, stellen de twee personeelsleden zich op zodat ze zicht hebben op het aankomend verkeer en geven, met de toortslamp signaal naar de bestuurders, dat ze dienen te vertragen. 

Daarbij zullen zij, wanneer een voertuig dreigt in te rijden op het dispositief met hun fluitje een waarschuwingssignaal geven om de collega’s te verwittigen voor het naderend gevaar.

3.7 Het wegrijden

3.7.1 De ziekenwagen met gekwetsten

De ziekenwagen, die vertrekt met gekwetsten, zal eerst op snelheid komen op de rijstrook in het verlengde van het afgesloten gedeelte.  Blauw zwaailicht en geluidssignaal worden in werking gesteld.

Eenmaal op dezelfde snelheid als het doorgaand verkeer plaatst hij zich op de rijstrook die nodig is.

3.7.2 De ziekenwagen zonder gekwetsten

Is het voertuig vertrokken zonder gekwetsten, dan gebeurt dit met zwaailichten aan, eveneens op de rijstrook in het verlengde van het afgesloten gedeelte.  Deze worden uitgedaan wanneer is ingevoegd.

Zijn er geen gekwetsten en oordeelt men dat de situatie te gevaarlijk is, dan mag de ziekenwagen in positie blijven in afwachting van de aankomst van de politiediensten.

3.7.3 Overname door politiediensten en afbraak

Zijn de politiediensten ter plaatse, dan zal de leider van de brandweer contact nemen om de overgave te regelen van de geplaatste signalisatie.  Er wordt ook uitleg verstrekt, indien zij gegevens hebben aangaande het ongeval.

Wanneer de BE niet meer noodzakelijk is, start men met de afbraak van de signalisatie.  Dit gebeurt in omgekeerde richting, dus tegen de rijrichting van het verkeer in.

Eerst worden de kegels en lampen weggenomen, geplaatst tussen het BV en de plaats de feiten. De rest van kegels en lampen worden daarna opgeladen.

Al deze bewegingen gebeuren zoveel als mogelijk langs de zijde waar geen verkeer is, één personeelslid voert uit, de collega houdt zicht op het aankomend verkeer en waarschuwt bij dreigend gevaar.

Eenmaal de BE klaar is om te vertrekken, stappen beide personeelsleden in.  De mast wordt naar beneden gehaald met de afstandsbediening.  Er wordt gestart. 
Dit vertrek dient te gebeuren onder begeleiding van de politiedienst. 
De signalisatie blijft functioneren.  Het voertuig blijft op zijn rijstrook.  De signalisatie wordt aangepast naar gevaarssituatie.  Van het ogenblik dat de politiedienst teken geeft, wordt veranderd van rijstrook.

Is men in de normale verkeersstroom, dan wordt signalisatiepaneel opgeplooid en de lampen gedoofd  (opgelet : niet boven de 40 (80) km per uur wanneer het paneel niet dicht is).

 

Tekst bewerkt door Kpl. Jean-Paul Heyens - redactieraad K.O.B. - brandweerdienst Sint-Gillis-Waas.