|
Nederlandse Vereniging van Belangstellenden in het Brandweerwezen |
Achtergonden Naar index Achtergronden
Samengevoegde interpellaties van - de heer Marcel Hendrickx tot de minister van
Binnenlandse Zaken over "de organisatie
van de brandweer" (nr. 1176)
- de heer Peter Vanvelthoven tot de minister van Binnenlandse Zaken over
"het gebrek aan voortgang
inzake de hervorming van de civiele veiligheid
en meer in het bijzonder de brandweer" (nr. 1186) 05
Interpellations jointes de - M. Marcel Hendrickx au ministre de l'Intérieur sur
"l'organisation des services d'incendie" (n° 1176)
- M. Peter Vanvelthoven au ministre de l'Intérieur sur "l'absence de
progrès en
ce qui concerne la
réforme de la protection
civile et plus particulièrement des services
'incendie" (n° 1186)
05.01 Marcel Hendrickx
(CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, u herinnert
zich wellicht dat ik in de loop van deze legislatuur
al vaker intervenieerde over de problematiek van de brandweer.
Ik beschouw de brandweer als een door deze en vorige ministers van Binnenlandse Zaken vergeten groep. In de regeringsverklaring van de eerste minister bij de aanvang van deze legislatuur, werd met geen woord gerept over de brandweer. Ik veroorloof mij hieraan toe te voegen dat de inhoud van de eerste beleidsverklaring van de minister een kaakslag betekende voor de zeventienduizend brandweerlieden.
Naar aanleiding van de
opeenvolgende begrotingsbesprekingen wees ik de minister telkens op het
schromelijk tekort aan
middelen voor de brandweer, zowel inzake direct
inzetbaar materiaal als inzake preventie. Ik
verzocht de minister
herhaaldelijk mede te delen hoe ver het stond met het nieuw statuut zowel
voor het beroepskorps als voor de vrijwilligers. Vaak wees ik de
minister op het feit dat het koninklijk besluit van 1967, dat de organisatie van
de brandweer regelt, totaal
is achterhaald.
Na de ramp te Enschede, ontplooide de minister een plan
waarbij hij dacht aan een bijna-integratie van de civiele bescherming en de
lokale brandweer. Enkele dagen later werd dit ondoordacht plan gelukkig
bevroren.
Sedert twee jaar, mijnheer de minister, schermt u met de
werkgroepen die u - terecht - installeerde, maar waarvan de resultaten die al
lang gekend hadden moeten
zijn, nog steeds niet werden
vrijgegeven.
Sedert de indiening van deze interpellatie kwam mij een en
ander aan het oor in verband met de activiteiten
van deze werkgroepen. Het
tart elke verbeelding.
Inmiddels keek ik naar de uitzending "De Zevende Dag" op de VRT, waar uw kabinetschef. of moet ik zeggen de plaatsvervangende minister - trachtte brandhout te maken van de brandweercommandant van Heist-op-den-Berg. Dit bewees enkel en alleen dat de brandweercommandant, in al zijn oprechtheid, niet was opgewassen tegen een politiek zwaargewicht als Koen Dassen. Inhoudelijk evenwel vertolkte hij wat bij de brandweer leeft en wat niet zonder meer kan worden weggegooid. In dat verband denk ik bijvoorbeeld aan de werkgroep betreffende de opleiding, de brevetten en de loopbaan van de brandweerlieden. Conform de opdracht legde deze werkgroep zich in een aantal vergaderingen toe op het creëren van gemeenschappelijke opleidingen voor brandweer en civiele bescherming. Blijkbaar was er een zeer constructieve geest in deze werkgroep, tot plots een zekere mijnheer Gilbert namens het kabinet van Binnenlandse Zaken de groep kwam vervoegen, waarna de opdracht werd geheroriënteerd en er nog alleen kon worden gepraat over het door de heer Gilbert voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit tot de opleidingsgraad van de brandweer en het ontwerp van koninklijk besluit betreffende de opleiding, de brevetten en de loopbaan van de leden van de brandweer. Inhoudelijk kon daarover zelfs niet worden gepraat, want de heer Gilbert wenste dat dit ontwerp van koninklijk besluit in een enkele vergadering werd afgehandeld.
Erger
nog, na deze vergadering werd de definitieve eentalige Franse versie
overgezonden aan de Koninklijke Belgische Brandweerfederatie, zonder dat
rekening werd gehouden met de
voorstellen van de werkgroep, noch aan Nederlandstalige, noch aan
Franstalige zijde.
Mijnheer de minister,
u moet begrijpen dat dit ontwerp niet wordt gesteund door de werkgroep en
door de basis van de brandweer.
Het getuigt van kwade trouw
wanneer men in het verslag laat uitschijnen dat dit wel zo zou zijn.
Ik kom tot de inhoud van het ontwerp van koninklijk besluit. Volgens een eerste belangrijke wijziging zal de officierenopleiding niet meer in de provinciale scholen worden gegeven, maar op één plaats voor het hele land. Het gaat om Florival, dat blijkbaar in de buurt van Jodoigne ligt, maar ook voor een deel in Vlaams-Brabant, als ik Koen Dassen mag geloven, en dat wil ik ook. Daar komt het hoger instituut voor de opleiding van de hulpdiensten. Ik trek dus een bewering uit mijn aanvankelijke interpellatie weer in: de Vlamingen moeten niet naar Wallonië gaan, het instituut ligt juist op de grens. Eerlijk gezegd, ik wist niet waar Florival lag. Ik heb op de kaart gekeken en heb het nog steeds niet gevonden, maar het blijkt in de buurt van Jodoigne te liggen.
Het blijft echter een vraag waarom dit
hoger instituut voor de opleiding van
hulpdiensten er moest komen.
In Vlaanderen was en is
daarnaar geen vraag. In Vlaanderen verloopt de opleiding, ook
van de officieren, immers
perfect. Zijn er misschien Brusselse
of Vlaamse
officieren die ergens moeten
worden bevorderd? De provinciale opleidingscentra zullen nog alleen de opleiding
voor het behalen van de brevetten van
brandweerman, korporaal, sergeant en adjudant mogen
inrichten. Men gaat voorbij aan alles wat voordien
in de provinciale centra
werd opgebouwd. Dat zal door de basis niet
worden aanvaard. Het zal ongetwijfeld aanleiding geven tot heel wat protest.
Een hoger instituut in het leven roepen voor de
opleiding van
de hulpdiensten, terwijl die thans tot ieders tevredenheid wordt aangeboden
dicht bij de brandweerlieden, voor
het grootste deel nog vrijwilligers, is een verspilling van tijd,
energie en geld.
Men
moet zich
ook ernstig zorgen maken over deze ontwerptekst inzake wijzigingen in
de vormingen. Zo wordt de geldigheidsduur van een module beperkt tot twee
jaar en wordt per opleidingsniveau voorzien in drie maanden
voor de organisatie van de cursussen en het afnemen van het theoretische
en praktische examen. Dat zal voor organisatorische
problemen zorgen, zowel bij
de school als bij de brandweerdiensten. De minister gaat voorbij aan het feit
dat overal in het land het vinden van vrijwillige brandweerlieden een probleem
is. Het ontwerp legt een uitermate
hoge belasting op het familiale leven . 20 tot
30 opleidingsdagen, afhankelijk
van het niveau. Het aantal kandidaten
zal daarom ongetwijfeld drastisch verminderen.
Bij de brandweer heersen ook ongenoegen en onbegrip omdat de geldigheidsduur van een module slechts twee jaar zal bedragen. Dat is in tegenstrijd met het principe van het modulair stelsel en het zal de doorstroming van vrijwilligers hypothekeren.
Ik haal maar enkele aspecten aan. Intussen heeft de
minister reacties ontvangen vanuit de
diverse Vlaamse, misschien
ook Waalse provincies. Graag
vernam ik zijn reactie daarop en in hoeverre hij ermee rekening zal houden.
Het
zijn ook aspecten van
één werkgroep, tenzij de
minister bereid is inzage te geven in de werking van de andere werkgroepen. Als
dat niet het geval is, zullen wij verplicht zijn ook over
die andere werkgroepen
onderzoeken op te starten en
de basis te raadplegen.
Wat
is de minister eigenlijk van plan met de brandweer? In het ontwerp
van koninklijk besluit worden
intussen reeds voorwaarden
vastgelegd voor de bevordering van een zonechef. De huidige zones van de
brandweer, mijnheer de minister,
hebben niet eens een juridisch statuut of
juridische omkadering. Zij werken op basis
van volledige vrijwilligheid.
Mijnheer
de minister, de brandweer heeft meer dan voldoende problemen waaraan
u dringend iets
zou moeten doen. Zij hebben een veel hogere prioriteit, maar er gebeurt spijtig
genoeg niets. U laat de brandweer verder werken op basis van een totaal voorbijgestreefde wetgeving uit 1967. U doet voorlopig niets
aan de
statuten van vrijwilligers
en beroepsbrandweerlieden, ondanks uw beloften. U geeft geen middelen voor
preventie- en interventieplanning, maar u acht het wel nodig de vorming van de
brandweer overhoop te gooien
terwijl de provinciale scholen hun deugdelijkheid meer dan bewezen hebben.
Ik bekritiseer de stijl waarin dit alles gebeurt, waarbij een kabinetslid van u plots in een werkgroep verschijnt en in één vergadering dergelijke voorstellen doordrukt, zonder ook maar op enig punt rekening te houden met de bezwaren en opmerkingen van de leden van de werkgroep. In het verslag van de werkgroep durft men daarbij nog te spreken van een meerderheid die akkoord was. Dat is gewoonweg onaanvaardbaar en verwerpelijk.
Ik heb enkele duidelijke vragen.
Ten
eerste, wanneer mag het Parlement de verslagen
inzien van de werkgroepen
die de minister instelde voor de hervorming van de niet-politionele veiligheid?
Ten tweede,
is het ontwerp van koninklijk besluit dat de opleiding van de brandweer regelt,
waarbij de opdracht van de
provinciale scholen wordt ingeperkt en een hoger instituut voor de opleiding van
officieren wordt opgericht, in Florival op
voorstel van de werkgroep tot stand gekomen?
Ten derde,
wanneer zal de minister de
echte problemen van de brandweer
aanpakken? Ik verwijs naar het statuut, de
preventie- en
de interventieplanning en de aanpassing van de totaal voorbijgestreefde wet van 1967, die thans nog
steeds de organisatie van de
brandweer bepaalt.
Ten vierde, wil de minister de opleiding van de brandweer effectief organiseren zoals in het ontwerp van koninklijk besluit is bepaald en wil hij daarbij aan de ervaring en techniciteit van de provinciale scholen voorbijgaan?
05.02
Peter Vanvelthoven
(SP.A): Mijnheer de voorzitter,
mijnheer de minister, wat de problematiek van de brandweer en de civiele
veiligheid betreft, hebt u destijds . in juli 2000, als ik mij niet vergis . in
ieder geval een goede start genomen met
de presentatie van de oriëntatienota. U hebt toen bij de brandweerlieden heel
wat verwachtingen gewekt. Het is daarstraks al gezegd dat de wetgeving inzake de
brandweer ondertussen 35 jaar oud is. Het is tijd dat die wetten worden gemoderniseerd en hervormd.
Bij de voorstelling van uw presentatienota hebt u een aantal werkgroepen geïnstalleerd. Die werkgroepen zijn bij elkaar geweest, maar blijkbaar komt er uiteindelijk weinig terecht van dat werk uit die werkgroepen. Er komt ook weinig in huis van alle goede bedoelingen die u destijds in uw oriëntatienota hebt opgenomen.
Er zijn dus hoge verwachtingen bij
het brandweerpersoneel, maar het uitblijven
van concrete maatregelen zorgt vandaag,
jammer genoeg, toch wel voor enig ongenoegen en enige onrust. Het was
misschien niet
zo bedoeld, maar na de uitzending van ‘De Zevende Dag’ kwam er zelfs
een soort strijdvaardigheid op waarmee niemand gediend is.
Vandaar, mijnheer
de minister, dat ik u een
overzicht wil geven van de pijnpunten die er
vandaag zijn. Deels is daarvoor al
voorbereidend werk verricht,
maar in het algemeen wordt gewacht op het doorhakken van een
aantal knopen.
Een eerste element dat ik wens aan te kaarten betreft
de werkgroepen. U hebt ze
destijds geïnstalleerd om gestalte te geven aan de hervorming die u hebt aangekondigd. Die werkgroepen hebben
al heel wat voorstellen uitgewerkt om
de werking van de brandweer te verbeteren. Maar blijkbaar worden de adviezen van
die werkgroepen weinig of niet door u
gevolgd. Het ontwerp van koninklijk besluit over de rampenplannen en het ontwerp van koninklijk besluit omtrent
de opleiding zijn hiervan een voorbeeld.
Sedert een jaar ligt er een aantal
teksten van de werkgroepen op uw kabinet; sedert een jaar verneemt men er
weinig of niets meer van.
Mijn eerste vraag betreft het toekomstige statuut van die werkgroepen? Zullen ze worden instandgehouden? Zal er rekening worden gehouden met hun conclusies en adviezen? Als de mensen in die werkgroepen zoveel tijd hebben besteed aan het voorbereidend werk, dan is niets zo vervelend dan te moeten vaststellen dat met dat werk weinig of geen rekening wordt gehouden.
Een tweede zaak die ik wens aan te kaarten is het
ontwerp van koninklijk besluit betreffende de rampenplannen voor hulpverlening.
Bij dat ontwerp van koninklijk besluit had de werkgroep Noodplanning een
bijzonder groot aantal bemerkingen, zoveel
zelfs dat een alternatief voorstel werd uitgewerkt.
Opnieuw heeft de werkgroep moeten
vaststellen dat met de adviezen van de mensen die over de
nodige terreinkennis beschikken, die de problemen moeten oplossen en die
de rampen het hoofd moeten bieden, klaarblijkelijk geen rekening wordt gehouden.
Vandaar mijn vraag waarom er geen gevolg wordt gegeven
aan de adviezen van de werkgroep?
Naar verluidt
werd de tekst die door de
Ministerraad is goedgekeurd, zelfs niet
aan de werkgroep
voorgelegd. Dat bevestigt vanzelfsprekend het ongenoegen dat
er heerst. Men steekt
er veel tijd en werk in,
maar er wordt weinig rekening gehouden met wat wordt gezegd.
Een derde element is de taakverdeling tussen de zonale en de suprazonale niveaus. Er is niet alleen de taakverdeling tussen de brandweer en de civiele bescherming, maar ook de taakverdeling tussen de zonale en de suprazonale niveaus. Die taakverdeling is fundamenteel en uitermate belangrijk met het oog op een moderne dienstverlening inzake veiligheid voor de burgers en vormt een essentiële schakel in het hervormingsproces, dat u reeds sedert 2000 aankondigt, mijnheer de minister.
Ook hier rijst de vraag waarom
aan de Ministerraad
een ontwerptekst wordt voorgelegd, op een ogenblik dat alle andere
schakels van de hervorming nog ontbreken.
Vervolgens kom ik tot het ontwerp van
koninklijk besluit betreffende de opleiding.
Collega Hendrickx
is hierop ook reeds uitvoerig ingegaan. Ook
dat ontwerp van koninklijk
besluit werd door de werkgroep verworpen. Terzake werd eveneens een alternatief
voorstel uitgewerkt. Het ontwerp
van koninklijk besluit bepaalt
onder meer dat de provinciale opleidingscentra voor
de brandweer enkel de
opleiding bestemd voor het behalen van het brevet van brandweerman,
korporaal, sergeant en adjudant mogen inrichten. De opleidingen bestemd
voor het behalen van de hogere
brevetten van officier, technicus-brandvoorkoming,
management crisissituatie en officier-dienstchef, zouden in de toekomst
centraal worden georganiseerd door
dat hoger instituut voor de opleiding van de hulpdiensten.
Dat voorstel gaat in tegen wat er de
afgelopen vijftien jaar
toch in diverse provincies, voornamelijk de Vlaamse provincies, gerealiseerd werd op het vlak van
opleiding. Daar
zijn belangrijke investeringen gebeurd in infrastructuur. De vraag rijst
waarom een hoger instituut in
het leven wordt geroepen om opleidingen te organiseren die vandaag reeds
tot ieders tevredenheid, in Vlaanderen in ieder geval,
worden aangeboden relatief dichtbij
de woonplaats van de meestal vrijwilliger-brandweerlieden die de
opleidingen moeten volgen.
In dat verband verwijs ik naar uw antwoord op mijn
schriftelijke vraag van 22 juni 2002, mijnheer de minister. U zegt daarin dat
het de regel is dat de lessen worden gevolgd in de eigen provincie en dat
door de inplanting van de
lessencentra kan worden vermeden dat de brandweermanschappen verre afstanden
moeten afleggen. U hebt toen die stelling ingenomen. De centralisatie van de
lessen in één instituut lijkt mij daartegen in te
gaan. Vandaar ook mijn vraag
waarom alles wat de afgelopen vijftien
jaar is opgebouwd, moet verdwijnen? Ik had graag van u vernomen wat de redenen
daarvoor zijn.
Een vijfde element betreft het bevoegdheidsconflict
inzake de brandpreventie. U hebt kennis
van de uitspraak van de Raad
van State volgens dewelke het bestaande bevoegdheidsconflict tussen het federale
en het gewestelijke beleidsniveau
moet worden opgelost. België heeft bovendien de twijfelachtige eer om in de
statistieken van de
verzekeringsmaatschappijen koploper
in Europa te zijn inzake het aantal schadegevallen door brand. Het gevolg van
die statistieken is dat heel wat bedrijven reeds vóór
11 september
in vooropzeg werden geplaatst door hun verzekeringsmaatschappij en dat
zij enkel een nieuwe polis zullen kunnen sluiten tegen hogere
premies.
In de werkgroep preventie is een praktisch voorstel gelanceerd. Het Vlaams Gewest is bereid de bevoegdheid inzake de reglementering over de brandvoorkoming in te vullen en in de nodige ondersteuning te voorzien. Maar ook die problematiek lijkt te blijven aanslepen. Ook in dat verband was ik graag in kennis gesteld van de toekomstperspectieven.
Ook over de bevoegdheid over het personeelsbeleid is er al meer dan vijf jaar discussie: is dat het federaal ministerie van Binnenlandse Zaken of de gewesten. Die discussie lijkt steeds ten nadele van het brandweerpersoneel te gaan. Op 25 januari van dit jaar stuurde de Vlaamse minister van Grembergen, een omzendbrief over de CAO 2002 naar de gemeenten. Daarin chrijft hij dat die CAO voor 2002 niet van toepassing is op de brandweer conform de bijzondere wet van 13 juli 2001, omdat het beleid inzake brandweerpersoneel een federale materie is. Het gevolg daarvan is dat men bijvoorbeeld in Antwerpen vaststelt dat niemand nog wil worden bevorderd, want dat betekent een nettoloonverlies. Ook blijkt er een verschil van weddenschalen tussen de verschillende gewesten. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden hogere weddenschalen gehanteerd, omdat men er zich niet houdt aan de maxima die voorzien zijn in de federale wetgeving. In Vlaanderen houdt men zich daar wel aan, waardoor de lonen in Vlaanderen 10 tot 15 procent lager liggen dan in Brussel. Ook dat wekt grote frustratie bij de brandweerlieden. Welke evolutie kunnen we terzake verwachten, mijnheer de minister? Zal u naar analogie van de politie gaan naar een specifiek statuut voor het brandweerpersoneel? Krijgt de veiligheidsdienst hetzelfde statuut? Krijgen de gewesten via de gemeenten alsnog de bevoegdheid over het brandweerpersoneel?
Ik kom dan tot het statuut van de vrijwilliger. Een juriste
die op het ministerie van Binnenlandse Zaken werkzaam was, zou naar
verluidt een studie
hebben gemaakt waarin een aantal oplossingen wordt gesuggereerd. Sedert
de studie is afgerond, ligt ook het dossier stil. De werkgroep 1 Personeel die
daarvoor bevoegd is, heeft
de studie nog niet ter inzage gekregen, hoewel hij dat al herhaaldelijk
heeft gevraagd.
Waarom mag deze studie niet openbaar gemaakt worden? En
belangrijker, bent u nog van plan om tijdens deze legislatuur werk te maken van
de hervorming van het statuut van de vrijwilliger?
Ik zou verder ook willen praten over
het project Astrid. De vorige regering heeft beslist
om voor alle
hulp. en veiligheidsdiensten
een nieuw performant netwerk van spraak. en
datacommunicatie te ontwikkelen. Daarvoor werd de NV Astrid opgericht. Tot op
de dag
van vandaag is, voor zover ik weet, nog steeds
niet beslist of dit project ook voor de brandweer
zal worden ingevoerd.
In de eerste plaats had ik
graag vernomen wanneer er
een beslissing mag worden verwacht.
Verder
zou ik ook graag
vernemen welke beslissing
zal worden genomen en of hiervoor extra middelen worden uitgetrokken.
Ik
heb me in mijn eigen gemeente laten vertellen dat de kosten van het huidige
systeem vrij beperkt zijn. Voor de afschrijving van het materiaal rekent men op
300.000 frank per jaar. Het abonnementsgeld BPT bedraagt 70.000 frank per jaar.
Wanneer men Astrid zou
moeten invoeren zou dit voor
de gemeenten een
extra investering betekenen
van 4.700.000 frank en het
abonnementsgeld om hiervan gebruik te
maken zou van 70.000 naar 500.000 frank stijgen.
Als Astrid ook voor de brandweer van toepassing wordt;
hetgeen wellicht een goede zaak is, blijft de vraag wie dit kostenplaatje gaat
betalen.
Net
als collega Hendrickx zou ik het verder over de
zonevorming willen hebben. In uw oriëntatienota
hebt u gemeld dat de volgende stap inzake zonevorming het
verlenen van
rechtspersoonlijkheid is. Ook had
ik graag vernomen wanneer een beslissing
hieromtrent mag worden verwacht.
Mijn laatste punt gaat over het koninklijk besluit op
de arbeidstijden. Dit u welbekende
koninklijk besluit dateert van 5 januari 2001 en zou wel eens belangrijke
gevolgen kunnen hebben voor de werking van de brandweerdiensten. Door dit
koninklijk besluit
wordt het voor de brandweer wellicht
onmogelijk om in de toekomst
nog normaal te
functioneren. Wanneer er dringende tussenkomsten
nodig zijn van het brandweerpersoneel of wanneer er nood
is aan langdurige
arbeidsprestaties, dan zouden de
betrokken vrijwilligers, die
uiteraard ook reguliere werkgevers hebben,
wel eens in strijd kunnen handelen met de bepaling van
het koninklijk besluit op de
arbeidstijd. Dit koninklijk besluit gaat over het feit dat men gemiddeld 38 uur
per week moet werken. Professionele brandweerlui, doch vooral vrijwillige brandweerlui,
zouden wel eens boven het aantal toegelaten uren kunnen komen.
De vraag is of dit koninklijk besluit ook van toepassing is op de brandweer. In het koninklijk besluit is er een uitzondering voorzien voor de politie. Het is niet duidelijk of zo’n uitzondering nodig is voor de brandweer. In elk geval blijft de huidige situatie onduidelijk en zouden er hierover in de toekomst problemen kunnen rijzen.
Dit
zijn een
aantal elementen die bij het brandweerpersoneel tot ongenoegen blijken te
leiden. Deze interpellatie
heeft dan ook als doel om u
dit ongenoegen over te maken
en aldus te vermijden dat dit probleem in de komende weken zou escaleren.
05.04 Marcel Hendrickx
(CD&V): Mijnheer de minister, we kunnen dus inzage
krijgen in
de verslagen van de werkgroepen en de
ontwerpen van koninklijke besluiten. Ik zal dan
ook niet nalaten
die bij uw kabinet op te vragen, want het is vreemd hoeveel verschil er bestaat
tussen wat hier wordt gezegd en wat de betrokkenen
vertellen. U
beweert dat de documenten in twee talen beschikbaar zijn. Ondertussen zal
dat wel zo zijn, maar de
getuigenissen van personen aanwezig in de werkgroep, waarbij gewag
wordt gemaakt van een eentalig Franstalig koninklijk besluit, kunnen niet
worden weerlegd. Dat zijn misschien slechts
details, maar
ze scheppen wel een bepaalde sfeer.
Wat ik echter veel belangrijker vindt, is dat u blijft
werken aan de instelling van het hoger instituut. Deze opmerking staat los van
de evaluatie van de provinciale scholen,
waaruit bleek dat het merendeel zeer goed functioneerde.
Eigenlijk is het zo
dat alleen de Vlaamse provinciale scholen zeer goed functioneerden, en,
spijtig genoeg, niet de Waalse.
Vorige zondag verduidelijkte uw kabinetschef welke personeelsbezetting
er in Florivalle zou komen.
Nu moet u met mij eens op de landkaart
kijken en Florivalle eens proberen terug te vinden. Mij is het
alvast niet
gelukt en slechts na lang
opsporingswerk heb ik vernomen dat
het ergens in de buurt van Jodogne zou liggen.
05.05 Minister Antoine Duquesne: We zullen er samen eens op bezoek gaan.
05.06 Marcel Hendrickx (CD&V): Ik neem uw aanbod graag aan. Waarom wordt die investering gedaan in Florivalle, wanneer het vaststaat dat in Vlaanderen de officiersopleiding perfect verliep en dat er geen enkel probleem was. Iedereen zegt dat daar een degelijke opleiding werd gegeven en dat daar degelijke krachten werden afgeleverd. Als er een tekort in Wallonië is, wat ik niet kan bewijzen, dan moet u daaraan werken zonder opnieuw grote investeringen te doen.
U zegt
dat de brandweer op dit
moment een gemeentelijke dienst blijft en dat u ervoor opteert om ze rechtspersoonlijkheid
te geven, maar mag ik u herinneren aan de felle reacties, met zelfs een betoging
in Brussel, van de brandweer nadat u in 2000
uw oriëntatienota kenbaar
maakte? Hierin had u het voor de eerste keer over een brandweer, of een niet-politionele bescherming, in twee
niveaus, min of meer naar analogie van de
politie: een federaal en een zonaal niveau. Er zal opnieuw veel protest zijn.
Wij pleiten ook voor een zonevorming, want het is
belangrijk dat
brandweerkorpsen kunnen
samenwerken, maar zoals u
het destijds hebt
voorgesteld, met de samenwerking tussen de
civiele bescherming en brandweer, is om moeilijkheden vragen. Wetende dat
er op dit ogenblik nog niets is - nog geen enkele rechtspersoonlijkheid, zelfs
geen ontwerp daarvan,
is de omschrijving van de functie van zonechef in het koninklijk besluit
een beetje voorbarig. First things first: er zijn bij de brandweer zoveel andere
belangrijke dingen die om een oplossing
vragen, onder andere de
organisatie van de
brandweer. Op de brandweer
is er nog steeds een
wetgeving van 1967, toen men
nog met emmers water vuur bestreed, van toepassing. Doe daar iets aan, mijnheer
de minister, de brandweer zal u
dankbaar zijn.
05.07 Peter
Vanvelthoven (SP.A): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.
Toch wens ik nog enkele korte opmerkingen te maken.
Ten eerste, ik noteer dat u op
korte termijn belangrijke
wijzigingen aankondigt. U gaf het overzicht ervan. U zegt, waar mogelijk,
rekening te zullen houden met de adviezen van de werkgroep, voor
zover ze eensluidend zijn en
in consensus zijn genomen.
Ten tweede, betreffende opleiding verwijs ik naar het
debat van vorige zondag,
waar uw kabinetschef
verklaarde dat in Florivalle
50 personeelsleden zouden worden tewerkgesteld.
We weten dat in Vlaanderen alles
goed is georganiseerd,
dat het wellicht gaat om een organisatieprobleem dat zich in Wallonië
voordoet. Daarbij rijst dan de vraag of de extramiddelen die in dat centrum .
rekening houdend met die 50 bijkomende personeelsleden die er zullen functioneren -
moeten worden geïnvesteerd, niet op een
andere en betere manier kunnen worden aangewend. Deze vraag blijft onbeantwoord.
Ten derde, in verband met het ASTRID-project
noteer ik dat u de bezorgdheid van de gemeenten deelt, die het daaraan
gekoppelde kostenplaatje vrezen. U zoekt terzake een oplossing.
Ten vierde, in verband met de
rechtspersoonlijkheid heb ik genoteerd dat dit thans niet is goedgekeurd door de
regering. Het waarom daarvan is me
niet duidelijk. Kunt
u dat
nog even toelichten?
05.08
Antoine Duquesne, ministre: Tout d'abord, Florival est un projet,
monsieur Vanvelthoven. J'attends d'avoir un
dossier complet avant de prendre attitude.
En
ce qui concerne les zones, je dois continuer à plaider au sein
du gouvernement. Cela fait partie de la délibération interne. Des
objections sont formulées,
que je dois rencontrer.
Moties
Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties
ingediend.
Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heren Pieter
De Crem, Marcel Hendrickx en Daniël Vanpoucke en luidt als volgt:
“De
Kamer, gehoord de
interpellaties van de heren Marcel Hendrickx en Peter Vanvelhoven en het
antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken, beveelt de regering aan
1.
dringend werk te maken van het uitwerken van een
statuut voor de vrijwilligers en de beroepsleden
van de brandweerkorpsen en de diensten van de Civiele Bescherming;
2.
nog voor het einde van het jaar het
koninklijk besluit van 1967 dat de organisatie
van de brandweer regelt, te
herwerken;
3.
een duidelijke
visie te kennen geeft over
de relatie tussen de Civiele Bescherming
en de brandweerdiensten;
4.
een duidelijk
organisatorisch kader vast te leggen voor de brandweerdiensten."
Een eenvoudige motie werd ingediend door de dames Corinne De
Permentier en Géraldine Pelzer-Salandra en
de heren André Frédéric en Charles Janssens.
Over
de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten.
Bron:
Beknopt Verslag nr. 698 - voorlopige versie, woensdag 20 maart 2002 Commissie
voor de Binnenlandse Zaken, de Algemene Zaken en het Openbaar Ambt
Sgt.
Jean-Paul Heyens
Gegradueerde
in de rechtspraktijk.