logo VBB Nederlandse Vereniging van Belangstellenden in het Brandweerwezen

Homepage

  Achtergonden                                                                              Naar index Achtergronden

BELGISCHE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS

INTEGRAAL VERSLAG

COMMISSIE VOOR DE BINNENLANDSE ZAKEN, DE ALGEMENE ZAKEN EN HET OPENBAAR AMBT

Zitting van woensdag 24 april 2002 14:15 uur

 Bron: www.dekamer.be

 09 Vraag van de heer Marcel Hendrickx aan de minister van Binnenlandse Zaken over "diens beleid inzake de brandweer" (nr. 7010)

09.01 Marcel Hendrickx (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, u zult zich herinneren dat ik u op 20 maart 2002 interpelleerde over uw beleid inzake de brandweer en de civiele bescherming. Ik kreeg toen weinig concrete antwoorden maar u beloofde mij toen dat ik inzage zou krijgen in de verslagen en de besluiten van de diverse door u geïnstalleerde werkgroepen. Ik heb twee dagen nadien schriftelijk de vraag gesteld aan uw kabinet, maar ondertussen hebben wij nog steeds die verslagen en besluiten nog steeds niet gekregen. Het zal u dan ook niet verbazen dat ik zelf verder op zoek gegaan ben om te vernemen hoe die werking van die zeven werkgroepen eigenlijk geweest is.

Een eerste bevinding is dat van de 7 werkgroepen er eigenlijk maar 2 operationeel geweest zijn, te weten de werkgroep Opleiding en de werkgroep Operationele Structuren Organisatie. Deze laatste werkgroep heeft 5 pilootzones aangeduid om een risico-analyse te doen, wat ik op  zichzelf erg toejuich – het had al veel vroeger moeten gebeuren – maar nu zijn er kwatongen, en daarmee moet men natuurlijk altijd voorzichtig zijn, die beweren dat de 5 pilootzones toevallig overeenstemmen met de woonplaats van de vijf leden van deze werkgroep. Dat vind ik dan wel heel bijzonder.

De werkgroep Opleiding fungeerde aanvankelijk zeer constructief tot – en dit haalde ik toen reeds in mijn interpellatie aan – plots de heer Gilbert van uw kabinet op deze werkgroep verscheen met een kant-en-klaar wetsontwerp dat bovendien diezelfde dag door die werkgroep zou moeten goedgekeurd worden. Het leken nogal onzinnige voorstellen die erin zaten. Ik heb dit in mijn interpellatie voldoende aangehaald en er is ook heel wat reactie vanuit de brandweer op gekomen en alleszins voor Vlaanderen waren deze voorstellen onaanvaardbaar. Mijnheer de minister, blijkbaar hebt u dat zelf ook ingezien want de heer Gilbert verdween roemloos van het toneel maar in zijn plaats kwam er dan plots een zekere mijnheer Lanois, ook van uw kabinet, met een nieuwe voorstel van het kabinet. Ditmaal hield dat voorstel in dat zou overgegaan worden tot de oprichting van een Koninklijk Instituut voor de Burgerlijke Veiligheid, een parastatale van het type B. Er zijn opnieuw vinnige discussies ontstaan onder meer over de kostprijs van dit gebeuren, maar uiteindelijk kon iedereen, ook de Vlaamse vleugel, zich akkoord verklaren met het principe mits de opleiding zou gebeuren in samenwerking met de goedfungerende provinciale scholen en dat er een financieringsplan zou opgesteld worden zonder te raken aan de huidige subsidiëring. Tot plots vorige week dinsdag er een bericht van uw kabinet kwam bij de werkgroep waaruit bleek dat u als minister afzag van het plan voor een Koninklijk Instituut voor de Burgerlijke Veiligheid. Daarmee staat die werkgroep Opleiding mijns inziens terug op nul. Blijkt ook, maar dit heb ik nog niet bevestigd gekregen – ik zal het u dan ook zo dadelijk vragen – dat er binnen uw kabinet hier omtrent nogal wat moeilijkheden zijn want, indien mijn informatie juist is, dan hebben twee leden van uw kabinet na uw beslissing ontslag aangevraagd, uit protest tegen dit gebeuren.

Mijnheer de minister, ik heb dan ook een aantal vragen. Ten eerste, wanneer zal ik, wat u beloofd hebt – de verslagen en besluiten van de zeven werkgroepen – ontvangen?

Ten tweede, welke werkgroepen hebben effectief activiteiten gehad en welke niet?

Ten derde, zijn er nog werkgroepen die operationeel zijn?

Ten vierde, op basis van welke criteria werden de pilootzones voor onderzoek naar risico-analyse gekozen? Is het zo dat deze zones toevallig overeenstemmen met de woonplaats van de vijf leden van deze werkgroep?

Ten vijfde, is het juist dat u vorige week beslist hebt af te zien van de oprichting van een Koninklijk Instituut voor de Burgerlijke Veiligheid?

Ik wil daar dan ook een nieuwe vraag aan koppelen: klopt het dat twee van uw medewerkers dezer dagen ontslag aangeboden hebben uit protest tegen uw houding?

Tenslotte, hoe zou u de opleidingvervolmaking van de brandweerlieden aanpakken nu deze werkgroep Opleiding terug op nul staat?

09.02 Antoine Duquesne, ministre: Monsieur le président, je suis – et je le démontre régulièrement – un partisan de la transparence. Mais il ne faut pas exagérer et il faut encore donner la possibilité au ministre de travailler et de former des groupes de travail. Monsieur Hendricx, j'ai l'impression que vous suivez avec beaucoup d'intérêt ces groupes de travail mais, ce qui reste important, c'est la décision prise par le ministre.

On ne gouverne pas encore par groupes de travail interposés. Je fais tout pour vous faciliter la tâche mais je vous invite à attendre les décisions que je prends. On va avoir des problèmes avec le fonctionnement des exécutifs et le parlement si on demande au ministre de venir expliquer ou justifier les positions des uns et des autres dans les groupes de travail.

J'ai dit que les rapports très techniques qui seront d'ailleurs insérés dans un texte cohérent et  lisible sous forme d'un livre blanc qui sera prêt d'ici quelques mois étaient à votre disposition. Si vous souhaitez prendre connaissance de ces fardes et documents, avec l'aide de mes  collaborateurs, vous êtes le bienvenu. En ce qui concerne les zones pilotes, j'ai déjà eu l'occasion de répondre qu'elles ont été sélectionnées sur base de critères définis par le groupe de travail et à l'unanimité. Il s'agit d'une proposition technique que j'ai acceptée; c'est en effet une décision! Les critères retenus sont de nature technique et opérationnelle. Administrativement, les zones pilotes sont réparties entre les trois régions: deux en Flandre, deux en Wallonie et une dans la Région de Bruxelles-capitale. La zone pilote peut désigner un officier à plein temps pour le suivi du projet. La zone de secours doit être effectivement mise en place.

Les critères techniques sont:

- une différence de degré d'urbanisation aussi grande que possible entre les différentes zones pilotes; il doit y avoir des zones essentiellement rurales et d'autres essentiellement industrielles;

- dans au moins une zone, il doit y avoir un risque Seveso;

- il convient d'être attentif à la problématique des grandes villes;

- il faut pouvoir examiner la coopération interzonale et interprovinciale.

Voilà pourquoi un tel choix a été fait. La "zone du centre" du Hainaut a des entreprises Seveso. La province de Namur qui forme une zone dispose de grandes régions rurales. Bruxelles permet d'étudier la problématique de la grande ville et est limitrophe de la zone Vilvorde-Zaventem-Overijse qui se situe dans une autre province. La zone de Genk dispose également d'une importante industrie.

Il est faux de dire que j'aurais définitivement abandonné le projet d'un "Institut royal pour la Sécurité civile". J'étudie toujours les différentes propositions en matière de formation qui m'ont été transmises et pour lesquelles il existe un consensus dans certains groupes.

Je n'ai pas encore pris de décision et je répète ce que j'ai déjà dit plusieurs fois au sein de cette commission: je tiendrai compte des acquis des écoles provinciales du feu et je n'apporterai pas de modification importante à des systèmes ou à des structures qui fonctionnent à la satisfaction générale.

Ma vision de la formation du personnel des services d'incendie et de la protection civile est la suivante. La formation doit être de bonne qualité, c'est-à-dire qu'elle doit cibler les missions exécutées. Elle doit être organisée de façon régulière permettant d'une part, aux communes et à la direction du corps d'organiser convenablement les services et d'autre part, de permettre aux secouristes individuels de construire leur carrière. Chaque secouriste, quel que soit le rôle linguistique auquel il appartient a droit à la même qualité au niveau de la formation.

Il est grand temps d'examiner de quelle manière les méthodes modernes didactiques peuvent être appliquées. Un enseignement ex cathedra ne doit plus être l'unique forme d'enseignement. C'est pourquoi je souhaite, en tant que ministre de l'Intérieur, jouer un rôle de direction dans la formation du personnel de sécurité.

09.03 Marcel Hendrickx (CD&V): Mijnheer de voorzitter, ik neem akte van de verklaring van de minister dat ik welkom ben om de verslagen in te kijken. Dat zal ik zeker doen. Ik kreeg evenwel geen antwoord op mijn vraag hoeveel van de zeven werkgroepen er effectief hebben gewerkt. Het zou mij niet verbazen dat de minister zegt dat de pilootzones met eenparigheid werden  gekozen, want hij antwoordde niet op mijn vraag of die toevallig overeenstemmen met de woonplaats van de vijf leden van die werkgroep. Als dat zo is, dan komt men volgens mij wel snel tot eenparigheid.

Mijnheer de minister, u zei niet te hebben afgezien van de instellingen van het Koninklijk Instituut voor de Burgerlijke Veiligheid. Welnu, mag ik u dan verzoeken aan de persoon die vorige week dinsdag het bericht van het kabinet aan de Brandweerfederatie bezorgde, te vragen wat er precies werd gezegd. Immers, vandaag nog kreeg ik de formele bevestiging dat dit zou zijn gezegd. Wat er ook van zij, ik neem akte van uw verklaring dat u niet afzag van de betrokken instellingen. Wij onderzoeken thans deze kwestie.

Ten slotte neem ik eveneens akte van het feit dat u de provinciale scholen naar hun waarde wenst te waarderen. Hieruit besluit ik – en op dat vlak wens ik toch nog een antwoord – dat u afziet van hetgeen de heer Gilbert op een bepaald ogenblik indiende voor de commissie Opleiding.

 Het incident is gesloten.