logo VBB Nederlandse Vereniging van Belangstellenden in het Brandweerwezen

Homepage

  Achtergonden                                                                              Naar index Achtergronden


BELGISCHE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS

Uittreksel van het VERSLAG ‘CRIV 50 COM 712’ van de COMMISSIE VOOR DE BINNENLANDSE ZAKEN, DE ALGEMENE ZAKEN EN HET OPENBAAR AMBT

 Zitting: woensdag 27 maart 2002 – 14.30 u

2 Vraag van mevrouw Frieda Brepoels aan de minister  van Binnenlandse Zaken over "de hervormingsplannen voor  de brandweerdiensten" (nr. 6798)

02.01    Frieda  Brepoels  (VU&ID): Mijnheer  de voorzitter, mijnheer de minister, vorige week werd over  dit onderwerp in de commissie reeds een aantal vragen gesteld. Jammer genoeg kon ik mij op  dat  ogenblik  niet aansluiten bij die vragen omdat ik op zending was in het buitenland. Ik kan op dit ogenblik al gebruik maken  van  de antwoorden die u toen gaf. Ik zal mij dus beperken tot een aantal vragen en deels gebruik maken van de  antwoorden die u vorige week hebt gegeven, tenminste wat mijn eerste vraag betreft.

Mijn tweede vraag werd nog  niet  behandeld. Mijnheer de minister, heel de problematiek van de hervorming van de brandweer,  vooral  inzake  de opleiding,  ligt  ons na aan het hart. In een vorig leven was ik voorzitter van  de  provinciale brandweerschool in Limburg. Ik  heb  de  uitbouw van de infrastructuur in die provincie gestimuleerd. Ik  weet  dat alle andere Vlaamse provincies dezelfde inspanningen hebben geleverd voor de brandweeropleiding. De werkgroep  opleiding  die door u werd geïnstalleerd leverde  goed werk,  tot op  een  bepaald ogenblik - dit werd vorige week ook reeds door een collega gezegd - vanuit uw kabinet blijkbaar andere instructies werden gegeven voor de uitbouw van  de  opleidingen.  Ik heb daar een aantal vragen over. Dat is belangrijk aangezien de federale overheid in feite heel weinig middelen ter beschikking stelt  van  de opleidingscentra.  Zoals  ik reeds zei dragen de provincies, zeker wat Vlaanderen betreft, een heel belangrijke verantwoordelijkheid. Het is  dan  ook belangrijk  dat  de sector en de organiserende instanties zich ook akkoord kunnen verklaren met de wijze waarop de opleiding georganiseerd zal worden.

Ik zou dan ook graag van de minister  willen vernemen  waarom  men, in tegenstelling tot wat men de vorige jaren heeft gezegd, bijvoorbeeld de opleiding voor de hogere  graden  zoals  de officieren wil wegtrekken uit de provinciale opleidingscentra. Zo is de opleiding tot dienstchef vorig  jaar de eerste keer georganiseerd. De cursussen werden door de bevoegde minister,  u dus, goedgekeurd. In Limburg werd dit uitgewerkt en vervolgens overgenomen door de  andere Vlaamse provincies. Ze werden, zoals ik zei, vorig jaar voor de eerste keer georganiseerd. Ik durf te zeggen dat ze een bijzonder positieve waardering kregen. Blijkbaar slaagt men er aan  Franstalige kant niet in om hetzelfde te doen. Ik meen dat het ook om die reden was dat u vorige week zei dat u die opleidingen op hetzelfde niveau georganiseerd moest krijgen in dit land. U stelde vast dat dit gebeurde  en daarom vertrouwt u dit aan een nationaal instituut toe.

Graag  vernam  ik  de precieze reden waarom u opnieuw unitaire opleidingen wil  organiseren  in Florivalle voor bijvoorbeeld  officier-dienstchef  en andere  functies. Ik weet wel dat u zegt dat de Vlamingen die opleidingen niet ter  plekke  zullen moeten gaan volgen, maar toch  wil  u blijkbaar alles weer op het centrale niveau gaan organiseren, in tegenstelling tot wat de provinciale centra tot nu toe hebben uitgewerkt.  Mijnheer de minister, waarom is dat zo? Waarom wil  u  ten koste van alles een wijziging van het  koninklijk besluit doorvoeren terwijl de provinciale centra nu juist klaar zijn met alle cursussen in verband met de betrokken opleiding?

Hoeveel zal de nieuwe structuur voor die opleiding kosten en wie zal de factuur daarvan betalen?

Ik  wil u nog even meegeven dat Limburg het afgelopen jaar als enige provincie 80 miljoen frank geïnvesteerd  heeft in infrastructuur voor opleidingen, ook voor praktische opleidingen.  Als ik me niet vergis, is er op dit moment voor het hele land  in 32 miljoen frank voorzien voor de ondersteuning van opleidingen. Ik denk dat daarover  toch  iets  mag worden gezegd. Kunt u hierover dus iets meer toelichting geven?

02.02 Minister Antoine Duquesne: Mijnheer de voorzitter,  mevrouw  Brepoels, er wordt wel degelijk rekening gehouden met de  adviezen die werden  uitgebracht door de werkgroepen. Een aantal van die adviezen wordt nu  reeds omgezet in nieuwe koninklijke besluiten of in aanpassingen aan bestaande koninklijke besluiten. Ik heb hierop vorige week uitvoerig geantwoord naar aanleiding van de vragen van de heren Hendrickx  en Vanvelthoven.

Als minister van Binnenlandse Zaken  ben  ik verantwoordelijk voor de organisatie en het beleid inzake alle Belgische  brandweerdiensten.  Het Lambermont-akkoord  van  vorig jaar is terzake ondubbelzinnig.

Maar, wanneer nu blijkt dat bepaalde provinciale brandweerscholen problemen ondervinden om op regelmatige tijdstippen bepaalde  opleidingen  te organiseren,  is  het mijn plicht gepaste maatregelen te nemen om deze opleidingen te verzekeren.  Er  zijn belangrijke verschillen in de opleiding in Vlaanderen en in Wallonië. Ik mag er ook  op  wijzen dat de Franstalige en Duitstalige vleugels van de Koninklijke  Belgische Brandweerfederatie  en de Vereniging van Beroepsbrandweerofficieren, Beprobel waarvan zowel de Franstalige,  Duitstalige  als Nederlandstalige officieren lid zijn, mij  schriftelijk hun akkoord over het nieuwe  ontwerp  van koninklijk besluit  betreffende de opleiding hebben meegedeeld. Ik heb terzake nog geen definitieve beslissing genomen. Daarmee wacht ik tot ik een unaniem  advies heb van de verschillende brandweerfederaties.

Het  is de bedoeling het Hoger Instituut voor de Noodplanning, dat in 1991  werd  opgericht,  als opleidingsinstituut inzake rampenplanning om te vormen tot een zelfstandig hoger instituut voor de opleiding inzake civiele veiligheid. Het zal worden uitgebouwd als aanspreekpunt voor  de  realisatie van allerhande Europese projecten  en  het  zal daarnaast  instaan  voor de coördinatie, de studie en  zonodig de organisatie van de opleiding van het personeel van alle civiele veiligheidsdiensten. Dit initiatief zal mij ook toelaten tegemoet te komen  aan  de  zeer terechte vraag van de brandweerlieden naar meer en  beter praktijkgericht onderwijs.

Ik weet niet op basis waarvan u uw berekeningen maakt, maar ik weet wel dat ik de factuur zal betalen deels met de middelen waarover ik nu reeds beschik en deels met de middelen  die  er zullen  bijkomen ingevolge een aantal initiatieven die  ik thans neem. Om te beginnen, beschikt het HIN nu reeds over een Europese subsidie, meer bepaald in het kader van de uitwisseling  van experts. België is eveneens  kandidaat  voor  de realisatie van 2 Europese projecten  inzake opleiding in civiele bescherming  waaraan subsidies verbonden zijn.

Daarnaast  heb ik het akkoord gevraagd van de minister  van Begroting met betrekking tot het herinstellen  van het Interventiefonds voor de Civiele  Bescherming.  Ten  slotte is het ook de bedoeling een deel van de middelen van  het Nucleair Fonds en het CEVESO-fonds  aan  te wenden voor de opleiding van de leden van de civiele veiligheidsdiensten.

02.03    Frieda  Brepoels  (VU&ID): Mijnheer  de minister, ik begrijp heel goed dat u als bevoegd minister tot een coördinatie wil overgaan en dat u vindt dat de eisen voor die opleidingen  op hetzelfde niveau moeten worden geplaatst. Op het ogenblik dat u vaststelt dat het op  de  meeste plaatsen in feite reeds zeer goed verloopt, kunt u dit ook op een andere manier  doen,  bijvoorbeeld via controle of inspectie. Ik vind  het  alleen betreurenswaardig dat u nu blijkbaar wel middelen ter beschikking zult stellen om een hoger instituut uit te bouwen terwijl de provinciale  instituten dit met eigen middelen moeten doen.  Als  ik  een opleiding voor brandweerman in  een  provinciale school bekijk, dan stel ik vast dat zij  daarvoor zowat 10.000 Belgische frank van het  federale niveau krijgen terwijl die opleiding  aan  de provincie in feite 50.000 frank kost. 

Ik vind het jammer dat men nu, op het ogenblik dat aan Franstalige kant wordt vastgesteld dat de middelen niet ter beschikking worden gesteld van de scholen en dat er niet voldoende middelen voor die opleidingen ter beschikking staan,  de Vlaamse provinciale brandweerscholen  aan  de kant  schuift. De bijkomende middelen die ter beschikking  komen worden nu in een federaal instituut gestopt. Ik stel dat vast en ik betreur dat. Ik hoop dus dat u  eerst  de  betrokkenen  zult raadplegen  vooraleer u een definitieve beslissing neemt.

Het incident is gesloten.

03 Vraag van mevrouw Frieda Brepoels aan de minister van Binnenlandse Zaken over  het Instituut van de Noodplanning" (nr. 6799)

03.01    Frieda  Brepoels  (VU&ID): Mijnheer  de voorzitter,  de  minister  heeft over dat instituut al even een tip van de sluier gelicht. Het Hoger Instituut voor de Noodplanning is iets meer dan 10 jaar geleden bij koninklijk besluit onder het gezag van de minister opgericht. Het instituut is in Florivalle gevestigd, waar ook de  Koninklijke School voor de Civiele Bescherming zich bevindt.

Ik zou graag van de minister een inzicht krijgen in de wijze waarop dit instituut de vorige jaren werd beheerd. Zoals het koninklijk besluit  vermeldt, wordt  het instituut beheerd door een raad van ongeveer 40 mensen uit  administraties, instellingen en organisaties. Die mensen  worden voor  6  jaar benoemd en moeten de minister elk jaar een programma en een jaaragenda  van activiteiten voorleggen. Daarnaast moeten zij hem de conclusies van de georganiseerde  activiteiten overzenden.

Ik  had  graag van de minister vernomen wanneer die raad voor de laatste keer werd vernieuwd. Hoe lang duurt het mandaat  van  de  huidige afgevaardigden nog? Welke conclusies heeft men aan de minister voorgelegd over  de  activiteiten van de vorige jaren? Welke jaaragenda is er voor 2002 voorgesteld? Over welk jaarbudget beschikt het  instituut? Hoeveel personeelsleden zijn er tewerkgesteld?


03.02 Minister Antoine Duquesne: Mijnheer de voorzitter,  collega's, de raad van bestuur van het Hoger  Instituut  voor de Noodplanning werd onlangs voor een periode van 6 jaar vernieuwd. In 2000  en 2001 heeft het Hoger Instituut geen activiteiten georganiseerd omdat de  vorige regering er niet in is geslaagd de raad van bestuur aan  het  einde van haar mandaat te vernieuwen. Dit neemt niet weg dat de normale activiteiten van de  Koninklijke  School voor de Civiele Bescherming, die daar eveneens is gevestigd, zijn voortgezet. De infrastructuur werd ook door allerlei instanties als conferentiecentrum gebruikt.  Het programma wordt per jaar vastgesteld. Voor 2002 zijn volgende activiteiten en onderwerpen gepland: de  juridische verantwoordelijkheid van de intervenanten en hun bestuur bij de uitvoering van hun  opdrachten;  het Europese mechanisme van hulpcoördinaties B-Fast en Dica-dir;  de uniformering van het  beoordelen  van veiligheidsrapporten door de  brandweerdiensten betrokken bij de nieuwe zogenaamde Seveso-bis reglementering; de interventie van de hulpdiensten standaardisatie  en interdisciplinaire coördinatie met  de discipline II van de rampenplanning, te weten  de medisch-sanitaire hulpverlening; communicatie  bij crisisbeleid; oefenbeleid binnen de noodplanning; risicozones en noodplanning; informatie  van de intervenanten over nucleaire risico.s en jodiumprofylaxie.

Aangezien het HIN integraal deel uitmaakt van het departement van Binnenlandse  Zaken,  beschikt het  instituut noch over een eigen budget, noch over  eigen personeel. Er zijn thans 7 personeelsleden van Binnenlandse Zaken aldaar tewerkgesteld,  bijgestaan door 10 hulpkrachten die voor het onderhoud van het domein instaan.


03.03    Frieda  Brepoels  (VU&ID): Mijnheer  de minister, ik neem toch aan dat het programma voor 2002, dat u zojuist hebt voorgesteld, niet door die  7 personeelsleden zal worden uitgevoerd? U zult in de toekomst toch  een  grotere  equipe moeten uitbouwen als u  dat  programma  wilt uitvoeren.

U  zegt  dat  de nieuwe raad onlangs is samengesteld.

Mijnheer de minister, kunt u de  commissie schriftelijk de samenstelling van die  raad bezorgen? Zo hebben wij tenminste inzicht in  de organisaties en structuren die  in  de  raad vertegenwoordigd  zijn. Wij zullen de activiteiten ervan uiteraard opvolgen en wij zullen trachten dit dossier vanuit de sector mee te begeleiden.

Het incident is gesloten.

Bron: www.dekamer.be  

Bewerkt door Sgt. J.P. Heyens
Gegradueerde in de Rechtspraktijk